, , ,

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (7): Monsters op Misteiland”

·

9 maart 4476 Witte Tempeltijd

Prelude

Aan het eind van het vorige avontuur bevonden onze helden zich op verschillende locaties.

Als eerste was daar Guldan, de priester van de Vierde Broeder, op retraite in het klooster Swaenebeek. Hier hield hij zich bezig met van alles en nog wat: naast de gebruikelijke klusjes die alle bewoners van het klooster moesten doen deed hij ook onderzoek naar de oorzaak van zijn eeuwig natte voeten en kreeg lessen in geneeskunst zowel in theorie en praktijk. En dan vooral het genezen van dieren.

Zo trof de broeder portier op een ochtend een doorweekte hond aan vlakbij het klooster. Het was een donkerbruin exemplaar van het Zwarte Berghond ras. Deze  grote honden staan bekend om hun trouw en hun kracht en bovendien om hun grote voorliefde voor water. Ze kunnen dan ook heel goed zwemmen.

Deze hond in kwestie was zwaargewond en Guldan’s leraar vond het een goed idee om zijn leerling, die goede vooruitgang had gemaakt, voor dit dier te laten zorgen. Zijn naam was Max, volgens het plaatje op zijn halsband.

Guldan wist het dier er al snel weer bovenop te helpen, hetgeen een band kweekte tussen hen beiden. Waar Guldan ging, volgde Max.

Op een dag, – het liep tegen de ochtend-, was Guldan bezig om het laatste verband van de poot van Max te verwijderen, toen een jonge man het klooster kwam ingestrompeld. Hij zag eruit alsof hij achterwaarts door een stel braamstruiken was gevallen terwijl een kudde koeien over hem heen gallopeerde.  Hij had een buil ter grootte van een duivenei op zijn hoofd, overal schrammen en blauwe plekken en zijn enkel was twee keer zo dik als hij zijn moest. Hij droeg een zadel van goede kwaliteit over zijn schouder.

De jongeman stelde zich voor als Junker Ludwig von Kalteberg, jongste telg uit een adellijke, niet al te rijke familie uit het noorden van het land. Zijn vader was daar leenman van de Baron. Hij had het ouderlijk huis verlaten om zijn eigen fortuin en glorie te vergaren en was als karavaanwacht naar dit gebied gereisd.

Nadat de karavaan op zijn bestemming was aangekomen had hij besloten om naar Tuangith te gaan waar hij vast wel weer  werk kon vinden. Het was per slot van rekening de grootste haven stad van het land. Helaas was hij, toen hij op zoek was naar een herberg die niet al te ver weg moest zijn, -volgens de instructies van een oude boer-, hopeloos verdwaald. Misschien had hij een verkeerde afslag genomen, of de boer had het hem niet goed uitgelegd. Hoe dan ook, het was al een tijd na zonsondergang, en er was nog geen herberg in zicht. Bij gebrek aan beter bleef hij de oude weg maar volgen waarop hij reed, in de hoop dat er toch ergens een plek zou zijn waar hij kon overnachten. Een weg leg je niet zomaar aan, die gaat ergens naartoe. En mensen wonen vaak langs een weg.

Op dat moment trok er een dichte mist over het land. Een adembenemende koude mist die enigszins blauwig was.  Achter hem klonk het geluid van marchererende voeten.  Maar toen hij omkeek, zag hij niemand. Of wacht! Een kolonne soldaten dook op uit de mist. Maar het was overduidelijk dat dit geen normale soldaten waren. Dan weer waren het min of meer mensachtige gedaantes, dan weer waren het skeletten.

Voorop liepen drie mannen. De middelste was de commandant, met een wolvenvel, compleet met kop, over zijn schouder. Naast hem liepen een man met een grote hoorn en een met een drakenstandaard.

Deze drie draaiden hun hoofd naar de jonge edelman, die met zijn paard inmiddels aan de kant van de weg was gaan staan. Iets aan een van hen kwam Ludwig bekend voor. Was het een familielid? Waar kende hij dit gezicht toch van?

Maar voordat hij iets kon vragen, voordat de spookgedaante iets kon zeggen, besloot zijn paard dat het er genoeg van had. Het sloeg in paniek op hol. En Ludwig kon niets anders doen dan zich krampachtig vasthouden aan zijn zadel om niet met een harde klap op de grond terecht te komen.

Normaal gesproken was de jongeman een uitstekende ruiter, maar die nacht was het zijn paard die besloot waar ze heengingen. Dwars door de duistere nacht, langs bossen en velden, over heuvels en dalen.

Uiteindelijk raakte het paard vermoeid en minderde vaart. Het was kennelijk zo uitgeput dat het de uitstekende boomwortel niet zag en  hals over kop, met Ludwig op zijn rug, een helling vol struikgewas afduikelde. Ludwig vloog uit het zadel en rolde nog ettelijke meters verder tot hij met zijn hoofd iets raakte en het bewustzijn verloor.

Toen hij weer wakker werd, -hoeveel tijd er verstreken was sinds zijn val kon hij niet zeggen-, was het tegen de ochtend. Zijn arme paard had zijn nek gebroken en was niet meer te redden. Ludwig pakte zijn spullen en zijn zadel en strompelde richting een stel lichtjes in de verte.

Dat bleek het Swaenebeek klooster te zijn alwaar Guldan dus in retraite was. De jongeman liet zijn wonden verzorgen door Guldan en vertelde hem ondertussen wat hem was overkomen. Guldan realiseerde zich dat dit dezelfde spooksoldaten geweest moesten zijn die hij samen met de andere avonturiers had gezien en stelde Ludwig voor om met hem mee te gaan als hij met Max weer naar zijn vrienden ging.

////////////

Ondertussen brachten Lavinia en Sigurd een stuk aangenamer de avond door. Sigurd de Raaf had, zoals men zich nog wel zal herinneren, de halfling Lavinia uitgenodigd om een biertje te drinken in zijn favoriete kroeg. Lavinia keek wat wantrouwig naar het goudgele vocht in haar bierpul, rook er eens aan, nam een slok en spuugde hem meteen weer uit. Nee, bier was aan haar niet besteed. Gelukkig deed Sigurd daar niet moeilijk over. Hij dronk  eerst  zijn eigen bier op en daarna het bier van Lavinia, en voor haar verscheen een karaf koel bronwater.

In deze kroeg trad ook een bard op. Een jonge elvenvrouw, gekleed in blauwtinten, speelde op haar luit en zong mooie, spannende en grappige liedjes.

Haar naam was Samantha. Ze was nog niet zolang in deze stad en was, zoals barden over de hele wereld sinds het begin der tijden, op zoek naar nieuwe verhalen. Of op z’ n minst verhalen die nog niemand kende. Als je naam wilt maken als bard moet je je eigen liederen schrijven.

En dus had zij, in de afgelopen dagen, de grote bibliotheek bezocht in de Tempel van de Grote Godin op het Grote Plein.

Daar had zij, in de kantlijn van een oude gedichtenbundel,  een aantekening gevonden van een vorige eigenares. Deze had iets bijzonders meegemaakt in een herberg die “De Drie Nymphen” heette. Een spookachtige kolonne soldaten was op een nacht langs haar raam getrokken.

Samantha bedacht dat dat een goed begin was voor een nieuw lied en was vastbesloten er meer over te weten te komen. Haar eerste probleem was erachterkomen waar deze herberg precies lag.

‘s-Avonds had ze echter een optreden, want, tja, ze moest toch ook haar brood verdienen.

Zo kwam ze in contact met Lavinia en Sigurd. Toen ze een levendig dansnummer speelde kon Lavinia, die onvermoede talenten bleek te hebben, zich niet meer inhouden. Ze sprong op het podium en begon te dansen. En hoe! De bezoekers van de kroeg waren zeer enthousiast.

In de pauze raakten ze aan de praat. En zo vertelde Lavinia dat de rest van haar vrienden nog in de herberg “De Drie Nymphen” was. Hier wilde Samantha natuurlijk meer over weten en ze legde uit waarom maar Lavinia liet niet meer los dan ze wilde. Zo min mogelijk, namelijk.

En verder werd het nog een gezellige avond. Een zeer gezellige avond. Een bijzonder gezellige avond, om precies te zijn. Er doen verschillende verhalen de ronde over wat er die avond allemaal gebeurd is maar het is niet mijn plaats hier om daarover te berichten.

Het volstaat om te vertellen dat Samantha  zich vanaf toen bij onze helden heeft gevoegd.

11 maart: Hereniging in Tuangith

De reisgenoten hadden afgesproken elkaar weer te ontmoeten in Tuangith. En dus gingen diegenen die daar al waren eerst even langs de winkel van de gebroeders Melkor om nog een en ander in te slaan dan wel te verkopen. Daar, op het plein, stond de dwerg Sigurd de Raaf die Lavinia wenkte en haar een sleutel gaf die volgens hem op de ingang van het riool zou moeten passen ergens op het plein. De Tempel ging kennelijk wat slordig om met de reserve sleutels en deze zouden ze vast niet missen.

Ondertussen waren de anderen aangekomen bij de Zuidpoort van de stad. Hier bevonden zich de stallen. Men had het plan opgevat om maar eens een paar muilezels te kopen en twee karren, zodat ze alle zooi die ze op hun avonturen verzamelden konden meeslepen. En om dit alles te beschermen waren ook twee waakhonden nodig.

Nadat iedereen had kennis gemaakt met de nieuwe leden van de groep, – de krijger/ranger Ludwig en de bard Samantha ( en niet te vergeten de hond Max, een donkerbruine hond van enorm formaat) togen ze naar de ezelhandelaar.

Deze man was duidelijk niet geboren in deze stad. Hij had het uiterlijk van een bewoner van het Kleine Continent, de plek waar Grasshopper ook vandaan kwam.

Desondanks was de panda monnik nogal verbaasd toen de man en zijn jonge zoon diep voor hem bogen en hem begroetten in zijn eigen taal.

“Moge U een gezegende dag hebben, Meester Panda,” zei de handelaar.

“Een gezegende dag teruggewenst, ” antwoordde Grasshopper.

De man stelde zich voor als Zheng Hu en zijn zoon heette Zheng Li. Hij verkocht de groep twee muilezels, -genaamd Jehosafat en Zebedeus-, en bood hen de keus tussen vier honden die speciaal getraind waren voor de bewaking. Lavinia bekeek de honden goed en besloot dat Hektor en Zani het best geschikt waren voor deze taak.

Maar de eerste dagen zouden ze de nieuw aangeschafte dieren niet kunnen gebruiken. Ze hadden immers nog wat af te handelen op een eiland, om het probleem van de natte voeten op te lossen. De ezelhandelaar toonde zich bereid om voor een kleine vergoeding op het spul te passen.

Dit keer was het de panda monnik die voor zijn landgenoten boog en hen in hun eigen taal  een goede dag wenste.

” Moge Uw dag stormvrij verlopen en moge U de zegen en bescherming genieten van goedaardige draken,” Of woorden van die strekking. Ja, in het Kleine Continent konden begroetingen nogal lang duren.

Nu moesten ze nog een boot zien te regelen en, -niet onbelangrijk-, de lokatie van het eiland van de klokkenmaker zien te achterhalen. Op de achterkant van de waterklok, – afwisselend gesjouwd door steeds twee andere sterke leden van de groep-, stond immers dat alleen de klokkenmaker de boel kon herstellen en het magisch veld weer in balans kon krijgen. Grasshopper, Guldan en Saruman waren het inmiddels meer dan zat om steeds maar weer met natte voeten rond te lopen.

De haven leek hen de beste plek om te beginnen. Daar waren de ongeregeldheden inmiddels afgelopen, hoewel er nog steeds gebieden afgezet waren en stadswachters de boel bewaakten. Er was hier en daar wat brandschade en er lag nog wat puin maar de bewoners van het haven gebied waren al weer aan het opruimen.

Aangezien de avonturiers onbekend waren met deze wijk doken ze de eerste de beste kroeg in die ze maar konden vinden. De Lachende Makreel.

Daar bestelden ze bij de bareigenaar maar eerst een pot bier voor henzelf (en bronwater voor Lavinia en Max). Saruman probeerde nog wat salade te bestellen voor zijn hongerige kever maar Siegfried, de barman, keek hem aan of hij water zag branden.

Salade? Groente? Dit was een kroeg. Hij kon bier krijgen, of aardappelpuree.  Of vis, in overvloed. Of desnoods, hmmf, bronwater. Maar als het echt moest dan was de tuin van de buurman overwoekerd met onkruid. Daar kon het beest zijn gang gaan.

Voor de route naar het eiland van de klokkenmaker, -het eiland met de achthoekige tempel, om precies te zijn-,  verwees hij hen naar een visser die achterin de zaak zat. Normaal gesproken kon deze Gunnar hen daar ook naartoe brengen maar hij had in het opstootje in de haven zijn been gebroken. Maar hij was de enige die de weg naar het eiland wist. Dit eiland, door de plaatselijke bevolking ook wel Misteiland genoemd, was zeer slecht bereikbaar. Het lag op zich niet ver van de haven in de grote baai. Door onderzeese kliffen en de restanten van een oude brug die in de loop van de eeuwen was ingestort was het er nogal gevaarlijk. En ook vanwege de eeuwigdurende mist die er hing en die navigeren moeizaam maakte. En dan waren er nog de vleesetende vissen.

De visser achterin de kroeg keerde zojuist zijn bierpul om boven zijn mond in de vergeefse hoop dat er nog wat in zat.

Daarom kocht Samantha een nieuwe, volle, bierpul en zette die met haar meest charmante glimlach voor de man op tafel. Hij had trouwens ook nog een verband om zijn hoofd.

“Alsjeblieft, beste man,” zei Samantha, “Volgens Siegfried de bar eigenaar bent U goed bekend met dit gebied. U heeft vast al heel wat interessante dingen meegemaakt.”

“Jazeker,” glunderde de visser, blij met de aandacht van deze lieftallige elf, “Er was die keer dat ik zo’n grote makreel had gevangen.” En hij wees een grootte aan die de reizigers volstrekt onwaarschijnlijk leek. Dat moet in hun ogen te zien zijn geweest. Ze waren intussen ook bij zijn tafeltje gaan staan.

“Ahem, ” zei de visser, wellicht ietwat teleurgesteld dat de jongedame niet alleen was.

“Tja, ik ken deze wateren goed,” zuchtte hij, na een slok van zijn bier. “Wat wil je precies weten?”

De reisgenoten legden uit dat ze op zoek waren naar een eiland met een achthoekige tempel, een eiland dat volgens de bareigenaar Misteiland heette.

“Ja, dat eiland ken ik wel,” antwoordde Gunnar de visser, ” Ik ben waarschijnlijk een van de weinigen, zo niet de enige, die daar veilig naartoe kan varen. Normaal gesproken zou ik dat best willen doen, maar ja…” En hij wees naar zijn gespalkte been en het verband om zijn hoofd.

“Van de trap gevallen,” legde de man met een strak gezicht uit als reactie op de vragende blik van Guldan.

“Ik ben  ooit eens een weddenschap aangegaan, in mijn jonge jaren. Voor een vaatje bier.

Ik moest naar het Misteiland en daar bidden in de tempel van  de Vierde Zuster, de zeegodin. Heeft me heel wat tijd gekost, en twee bootjes, om erachter te komen hoe je daar moest komen. Gelukkig kan ik goed zwemmen.”

“Maar kunt U dan niet een kaart tekenen, hoe we daar moeten komen?” vroeg Amaril, de zee elf.

“Dat kan ik zeker, als jij hem kunt lezen. Maar dan hebben jullie ook nog een boot nodig zeker?”

Guldan knikte.

Het bleek dat de man best zij vissersboot wilde verhuren aan de avonturiers. Voor een zeer schappelijke prijs ook nog eens. Maar 15 zilverstukken.

“Afgesproken,” sorak Guldan en telde alvast 15 zilverstukken uit.

“En honderd gouden ducaten borg, ” vervolgde de visser.

“Honderd ducaten? Is dat niet een beetje veel?”

“Luistert, ” zei Gunnar, ” Die boot is mijn levensonderhoud. Als jullie hem zoekmaken, of ermee vandoor gaan dan ben ik mijn bron van inkomsten kwijt. En met die honderd ducaten kan ik dan een nieuwe kopen.”

Dat klonk op zich redelijk. Niettegenstaande wilden Guldan en Amaril de boot eerst zien voor ze akkoord gingen. De man gaf hen de lokatie en de naam van zijn boot en na een korte inspectie, – het was een oude, maar goed onderhouden boot die volkomen zeewaardig was-, gingen de twee terug naar de Lachende Makreel en overhandigden de man zijn borg.

Het was voor het eerst dat de zee elf zijn zeemanskunsten moest vertonen zonder het toezicht van de oude schipper die hem kort geleden zijn eerste lessen had gegeven. Uiterlijk deed hij alsof het hem moeiteloos afging, maar niettemin ontstonden er toch wat zweetplekken onder zijn oksels.

Tonk.

Tonk? Wat was dat? Een rots die hij gemist had? De bovenkant van een van de pilaren van de oude brug die het eiland ooit met het vasteland had verbonden? Was er schade?

Oh, gelukkig, het was maar wat wrakhout. Een stuk afgebroken mast, zo te zien. Er lagen nogal wat stukken wrakhout in het water.

Max de hond hing zo ongeveer met zijn kop in het water en genoot enorm. Guldan hield hem stevig vast, want hoewel Max, als Zwarte Berghond, uitstekend kon zwemmen, waren hier vleesetende vissen volgens de visser en de bareigenaar. Beter geen risico nemen. Ook het draakje van Moreta had de grootst mogelijke lol. Hij zat op het puntje van de boeg en flapperde met zijn vleugels.

Gandalf de kever, daarentegen, had het niet zo op water. En bootjes. En dat gewiebel door de golven. Hij zat op de bodem van de boot, vlakbij zijn meester. En hij zag groen. En geloof me, dat is niet de juiste kleur voor een reuze hertshoorn kever.

Terwijl ze om het eiland heen voeren om bij de aanlegplaats in het westen te komen, die volgens de kaart van  de visser Gunnar de veiligste plek was om aan land te gaan, ontdekte Ludwig tusen de slierten mist een enorme grot aan de noordkant. Vroeger was het ongetwijfeld een goede plek om naar het hart van het eiland  te varen, maar zo te zien was vrij recentelijk de boel ingestort. Wellicht vanwege de aardbeving van een week of zo geleden.

Naarmate ze het eiland naderden bleek waarom het eiland de naam Misteiland had. Er stegen aan alle kanten lange slierten witte stoom, of iets dergelijks, op. Amaril slaagde erin, na enig manouvreer werk de boot veilig aan de steiger te leggen. De groep ging aan land.

IMG_9329

Het zicht was uiterst beperkt. Stoom en zwaveldampen verhulden het merendeel van het eiland. Ergens uit de mist klonk een stem. Het was niet helemaal duidelijk in welke taal hij sprak, of liever schreeuwde, maar er klonk duidelijk paniek in door.

Vlakbij de aanlegplaats vonden de reizigers een opgedroogde fontein. Ooit moest er uit een monsterachtige bronzen kop water gestroomd hebben in een ondiep basin, maar nu was alles droog en was de bodem bedekt met mos. Drie kleine treetjes leidden naar de bodem en de halfling Lavinia onderzocht waar het geglinster tussen het mos vandaan kwam. Het waren munten, voornamelijk brons maar er zat ook wat zilver en goud tussen. Even werd nog overwogen om de munten mee te nemen, maar al gauw werd daar van af gezien. Ze waren hier notabene om een vloek die een god hen had opgelegd te laten opheffen. Het was dan wellicht niet handig om een andere god of godin boos te maken.

Tegenover het basin met de muntjes stond een tempel. Nou ja, wat er van over was dan. Lavinia onderzocht de gesloten deuren en probeerde die te openen. Ze werd daarbij gestoord door de uitroep van de panda monnik.

“Ik ben al binnen hoor!”

Grasshopper was namelijk omgelopen en had ontdekt dat naast het dak ook een aantal muren waren ingestort en  hij was simpelweg over de brokstukken naar binnen gelopen. Desondanks ging Lavinia hardnekkig door met het openen van het slot. Het was een principe kwestie, zullen we maar zeggen.

IMG_7677

In de tempel viel verder weinig te ontdekken. Tegen een achtermuur, die nog redelijk intact was hingen allerlei plaatjes van aardewerk met daarop woorden in een taal die de meeste van onze helden niet konden lezen. Grasshopper deed zijn uiterste best  om zich te herinneren wat hij ooit, als tot op het bot toe verveelde panda tiener, had geleerd over de taal van het Oude Keizerrijk. De woorden  ‘dank’ en ‘bedankt’ kwamen steeds opnieuw voor op de tabletten, samen met de naam van de zeegodin. Ongetwijfeld enorm interessant voor archeologen en andersoortige geleerden maar niet voor onze helden.

Achter de tempel bevonden zich nog wat gebouwtjes. Hopelijk bevond zich daar ook een trap naar het volgende niveau van de tempel want anders moesten ze een manier verzinnen om tegen een steile helling op te komen. En dat zou, zeker vanwege het feit dat ze ook nog een zware waterklok met zich meesjouwden, niet echt makkelijk zijn.

Na het openen van de eerste deur, – een gezamelijke inspanning van halfling en panda, de scharnieren stonden immers stijf van de roest-, bleek het zich hier om een gasten verblijf te gaan. Er stonden bedden en kasten en dergelijken. Allemaal zeer oud en stoffig. Achter een kast lag nog een halssierraad dat iemand verloren moest zijn en op een tafeltje lag een boek met een vaag magisch aura. Dit was het gastenboek, dat destijds zorgzaam was voorzien van een magische bezwering die het minstens tweehonderd jaar tegen bederf zou beschermen. Die spreuk was echter al minstens vijftien honderd jaar geleden afgelopen, dus het boek verkruimelde zo ongeveer waar ze bijstonden.

IMG_7710

Achter deur nummer twee vonden ze opnieuw een soort slaapkamer, maar de strooien matrassen die hier lagen waren vrij nieuw. Er waren dus nog anderen op dit eiland. Desgevraagd bleek dat Max, wiens neus het niet altijd even goed deed, al een tijdje iets rook. En dan bedoel ik iets anders dan zwavel, zeelucht en de verschillende geurtjes van de leden van de groep. Lavinia knikte instemmend bij deze mededeling. De neus van deze halfling, opgevoed bij de wolven, deed het kennelijk erg goed.

Er was nog een tweede deur in deze kamer met een slot dat eveneens vrij nieuw was. Hierachter was een trap omhoog. Lavinia deed haar donkerblauwe brilletje op, gevonden bij het lichaam van de oude gnoom, en sloop de gang in. Zo kon ze uitstekend in het donker zien en toch onopgemerkt blijven, daar waar enkele anderen een lantaarn nodig hadden.

Na enig gefrummeld aan het slot op de volgende deur klonk er het geluid van iets dat over haar hoofd heen vloog en ‘pok, pok, pok’ deed. Hmmm… Maar goed dat ze niet zo groot was. In het licht van de lantaarn bleek dat er drie venijnig scherpe pijltjes op de grond achter haar lagen. De jonge Ludwig die de lantaarn droeg besloot ter plekke om maar nooit achter haar te gaan staan als ze een slot aan het openmaken was. Hij was een stuk langer, en een stuk breder, dan zij en die pijlen zouden hem beslist getroffen hebben.

Nu betraden ze een brug over een diepe afgrond waar stinkende zwaveldampen uitkwamen. Niet al te lang blijven hier.

Ook de deur aan de andere kant bleek op slot te zitten. Lavinia ging aan het werk.  Om de een of andere reden vond Ludwig het nodig om zich hier zo klein mogelijk te maken. Het slot was ingewikkeld en plotseling voelde Lavinia iets prikken. Meteen daarna werd haar vinger gevoelloos. Oeps! Gif!

Gelukkig bleek Guldan nog wel wat te hebben om het gif te neutraliseren. Maar goed ook, ze had bij haar werk al haar vingers nodig.

Opnieuw een lange, donkere  gang met aan het eind een deur. Achter die deur was het geluid van  stemmen waar te nemen. En de geur van ongewassenheid. Verregaande ongewassenheid. Bah, jakkes!

IMG_7707

Volgens de beide elvendames was er iets magisch aan de deur. Ze konden alleen niet ontdekken wat. Het kleine draakje van Moreta wist het wel. Het was ‘gewoon’ een spreuk die magische projectielen liet afgaan. Niets bijzonders toch? En hij ging verder met het besnuffelen van de rugzak van de elven bard. Rook hij nou koekjes?

Amaril bood zich aan om de klap op te vangen. Meer konden ze er immers niet tegen doen. Door de open deur stroomde verblindend daglicht naar binnen. Ze waren opnieuw in een tempel zonder dak aangekomen, iets groter dan de vorige. Daar hielden twee mannen met bogen de wacht terwijl een derde achter in de tempel aan het graven was. Lavinia sloop door de schaduwen en verborg zich achter een pilaar, met haar dolken in de aanslag.

De drie mannen, die zo te zien inderdaad al een hele tijd niet in bad waren geweest, keken verstoord op van hun activiteiten,

“He, wat moet dat?”, riep een van hen, die een soort van kaart bij zich had. “Die schat is van ons, daar blijf je mooi af!”

IMG_7683

En vanaf dat moment liep alles in het honderd voor de schatgravers. De man met de kaart kreeg wat dolken in zijn buik, de man in het gat eveneens. De derde man die wegliep om hulp te halen werd gevloerd door de jonge Ludwig en deed daarna niet veel meer.

Verbazend genoeg besloten de reizigers om de schatgravers in leven te laten. Nou, ja, twee van hen dan. De man in het gat had het niet overleefd.

De man met de kaart werd ondervraagd over het hoe en waarom van hun acties. Hij legde uit dat hij en zijn maten,- en dat waren er wel tien, nou ja acht, of toch tenminste zes-, op zoek waren naar een schat die ergens op dit eiland begraven moest zijn. Het was alleen niet erg helder waar. De kaart die hij liet zien was dan ook bijzonder vaag. Het had elke tempel kunnen zijn op elk willekeurig eiland.

De schurken werden vastgebonden. En het gezelschap ging verder. Door de bronzen deuren naar het bovenste deel van het eiland. Ludwig nam nog even de schop mee die de man in het gat had gebruikt. Die ontbrak nog aan zijn vrijwel complete uitrusting. Afgezonderd van de gootsteen dan.

Nu was het geluid van de angstige stem goed te horen. En Moreta herkende de taal als de Orkentaal. Maar veel was er niet te zien. Het zicht was ook hier zeer beperkt vanwege de alomaanwezige  slierten rook en zwavel damp.

Naarmate ze verder liepen langs de wat zielige bomen die als spoken opdoken uit de nevelen kwam een enorme tempel in zicht waarvan het achterste deel zo te zien samen met een deel van het eiland in zee was gestort. Vlak daarvoor lag een smalle brug naar het noorden over een diepe kloof waar onafgebroken stoom en zwavel gas omhoog kringelde. Naast de geur van zwavel was ook hier de geur van ongewassen wezens erg sterk.

Lavinia stak ( natuurlijk) als eerste de brug over en aanschouwde een vreemd tafereel. Een, zo te zien vrij jonge ork, met een bezem stond op een afgebrokkelde muur en verdedigde zich met een bezem tegen een aantal ongure types. Het waren ongetwijfeld de kornuiten van de drie schurken die in de vorige tempel aan het graven waren geweest. Gek genoeg rook de ork naar zeep en schoonmaakmiddel en de mensen die hem met een touw probeerden te vangen naar zweet en andere onaangename zaken.

De jonge ork riep luidkeels om hulp in zijn eigen taal, terwijl de niet al te slim uitziende baas van de  groep schatzoekers hem in de (mensen)taal van het land steeds maar weer vroeg waar de schatten waren.  De helden besloten de ork te gaan helpen.

Na enig manouvreer werk om in de juiste positie te komen kon het gevecht beginnen. De groep splitste zich grofweg in drieen. De ene groep linksom, de andere rechtsom en Lavinia en Amaril door het midden. Amaril probeerde om zich met een behendige sprong boven op de resten van het achthoekige gebouwtje te positioneren. Ehmmm. De sprong lukte niet echt en de zee elf raakte bijna zijn voortanden kwijt. Maar he, dat had toch niemand gezien. Toch?

IMG_7700

Met behulp van een touw ging het een stuk beter.

De schurken verdedigden zich aardig maar kon uiteindelijk niet op tegen de dappere avonturiers. Zeker niet nadat ons draakje een van zijn vele spreuken losliet op de man die de jonge ork in bedwang hield. Plotseling zag de man alleen nog maar sterretjes. Ter geruststellling: dat duurde niet lang. Max, de hond, bleek over gevechtservaring te beschikken. Hij greep de schurken bij de keel als hij de kans kreeg en hield flink huis.

Ook hier besloten de reisgenoten een van de schurken gevangen te nemen. Hij vertelde dat ze een groep smokkelaars waren die op het eiland naar kostbaarheden aan het zoeken waren. Tot nu toe hadden ze eigenlijk niets gevonden.

De jonge ork met de bezem legde ondertussen trots uit aan de elven tovenares dat zijn naam Grosh was en dat hij de leerling was van de Klokkenmaker. De klokkenmaker  woonde hier beneden. Helemaal beneden. Via een luik in de vloer kon je in de tempel komen. Dat luik zat echter op slot. Hij had het zelf op slot gedaan. Tijdens het aanvegen van de bovenste verdieping was hij in zijn werk gestoord door een stel orken. Dit waren geen aardige orken. Ze bedreigden hem en aangezien ze tussen hem en de trap naar beneden stonden kon hij alleen maar naar boven.

IMG_7694

Haastig had hij het luik gesloten in de wetenschap dat zijn Meester de orken wel aankon. Helaas voor hem was hij toen de smokkelaars tegengekomen en was hij maar weer teruggerend naar het luik. Misschien dat de orken en de smokkelaars elkaar dan zouden uitroeien terwijl hij zich in een zijkamertje verborg.

Maar waar was de sleutel? Aan de overkant van de brug had hij hem nog gehad en nu was hij hem kwijt. Hij zat als een rat in de val want aan de noordkant van het achthoekige gebouwtje was slechts een diepe afgrond. Daar beneden was de zee en allerlei moordlustige wezens die een sappig hapje ork niet zouden versmaden.

Grosh wist niet precies waar hij de sleutel was verloren en dus gingen de avonturiers op zoek. Zonder Lavinia dan, die eens goed keek naar het slot. Het was er een die ze nog niet zo vaak had gezien en bijzonder ingewikkeld. Het kostte haar behoorlijk wat moeite maar uiteindelijk lukte het.

“Hou maar op met zoeken!,” riep ze, “We kunnen naar binnen.”

Heel stilletjes slopen de reisgenoten naar binnen. Grosh bleef liever boven. Hij was niet zo’n strijdlustige ork.

Er waren vier deuren in de volgende ruimte. Een daarvan was ooit de slaapkamer van priesteressen van de tempel. De andere was het verblijf van de opperpriesteres. Eensgezind bleven de helden van de bezittingen van deze, waarschijnlijk reeds lang overleden priesteressen af. Zoals gezegd: ze waren hier om een vloek op te lossen, niet om er een bij te krijgen.

IMG_7716

Na ook nog  eens het kleinste kamertje te hebben onderzocht, ( iemand had hier ooit twee verschillende oorbellen verloren) deden ze de laatste deur open.

Orken!

Een stuk of acht groenhuiden, geleid door een gemeen uitziende half-ork,  waren de boel aan het plunderen. Daar hielden ze snel mee op toen de reizigers de aanval inzetten. De ruimte was niet erg groot, en volgestapeld met kisten en vazen vol kostbaarheden. In het midden stond een beeld van een voluptueuze vrouw met blond haar en blauwe gewaden. Het leek alsof ze op de golven stond.

IMG_9389

“Dat is het beeld van de zeegodin!”, zei Guldan die Max vooruit stuurde in de richting van een vrouwelijke ork met een slecht gebit. Dat van Max was, zoals bleek, een stuk beter. Lavinia en Ludwig voegden zich bij hen.

Aan de andere kant blies het draakje een wolk gas uit in de gezichten van wat orken boogschutters. Met bijzonder effect. Twee van hen zakten op de grond van het lachen, en hun collega’s stonden er wat wezenloos bij. Een beetje alsof ze iets gezien hadden wat heel erg grappig was maar wat ze niet helemaal snapten.

Saruman maakte misbruik van de situatie door  zijn kever op hen af te sturen. Deze kan goed stampen, zoals al in vorige avonturen is gebleken. Helaas stond daar ook de half ork die met zijn goedendag de kever bijna platsloeg. Haastig riep Saruman zijn geliefde kever terug.

Amaril en Samantha namen zijn plaats in.

En zo ging het verder. Halverwege het gevecht keek een van onze helden toevallig eens naar het beeld. Ineens voelde hij zich beter dan daarvoor. Het leek alsof het vriendelijk glimlachende beeld hem nieuwe energie had gegeven. De andere reizigers, en ook de kever, voelden eveneens hun wonden genezen nadat ze naar het beeld keken.

Uiteindelijk was dan de laatste ork verslagen. De halfork was bijzonder taai.

IMG_7724

Kort onderzochten de leden van de groep het heiligdom. Opnieuw besloten ze niets mee te nemen. Hoewel die vaas vol met parels wel aantrekkelijk was. Zou het echt erg zijn als ze wat meenamen? Nee, niet doen. Ze kwamen hier voor de klok.

Dat dat een goede beslissing was bleek toen ze een vrouwelijke stem in hun hoofd hoorden.

“Heiligschenners in mijn tempel! Ik wil hun lijken hier niet hebben. Wie ze verwijdert zal een beloning krijgen.”

“Waar moeten we ze dan laten?”, vroeg Guldan.

“Gooi ze in zee, dan lossen mijn haaien dat wel op.”

Zo gezegd, zo gedaan. De waterklok werd even geparkeerd bij de wenteltrap en iedereen hielp met het naar boven sjouwen van de orken lijken. Daarna gingen ze nog even terug om ook de lijken van de smokkelaars in zee te gooien waarbij hun gevangenen hen angstig aankeken.

 

Eenmaal terug bij het beeld deelde de zeegodin, -want ja, dat was degene die hen had aangesproken-,  hen mede dat als ze een buidel hadden, of iets wat waterdicht was, dan zou een van haar dolfijnen hem gevuld weer terug brengen als ze op volle zee waren.

Grosh bood aan om de avonturiers naar Ogdoa de klokkenmaker te brengen. Langs de wenteltrap naar beneden, ging het. Een heel eind naar beneden. Ze werden er zowat duizelig van.

“Stop!”, riep Grosh ineens. “Er ontbreekt een stuk trap. Iemand heeft de schakelaar omgezet.”

Er was een gat van een meter of drie waar ze onmogelijk over heen konden springen. Zeker niet met een loodzware waterklok.

De tovenaar vroeg of de schakelaar zwaar was. Dat bleek niet het geval.

“Dan kan een kever hem ook omzetten.” concludeerde hij. “Of een draakje,” zei Moreta.

De kever vloog door het duister en landde boven op de schakelaar waarna een voor een ’n stel treden uit de muur schoven. Het was geen goede plek voor lieden met hoogtevrees, mar onze helden kwamen dan toch aan in een enorm grote grot die voor het merendeel onder water stond.

Midden in de grot lag de helft van een groot schip halfverzonken onder het water. Een smal pad leidde rondom het water en aan de noordkant was ooit een opening geweest die nu versperd was door grote rotsblokken. Langs de wanden stonden bovendien kisten, vaatjes en iets wat op balen katoen leek.

“Mijnheer de Klokkenmaker,” riep Moreta, “Mijnheer Ogdoa!”

“Ja, ja ,ja,” klonk uit het water, ” Ik heb jullie al gezien. Weer die waterklok? Dat is de vijfde keer in vijftienhonderd jaar. Instructies niet gelezen zeker? Zijn toch duidelijk genoeg.”

“Kennelijk niet,” mompelde Lavinia zachtjes.

Uit het water kwam een enorme inktvis omhoog. Met een brilletje, dat wel.

“Wat?,” zei de octopus, “Kan een octopus geen klokkenmaker zijn? Het is niet alsof ik ooit tegen een god heb gezegd dat hij me niet zo moest opjagen omdat ik ook maar gewoon twee handen had. Dat zou heel onverstandig zijn geweest. Heel onverstandig. Grmmbll.”

IMG_7727

Hij zwom wat dichter naar de helden toe en pakte met drie tentakels de wateklok op alsof het een veertje was.

“Ik weet het goed gemaakt,” vervolgde de klokkenmaker, “Ik zorg ervoor dat het met die klok in orde komt en dan zorgen jullie ervoor dat ik weer naar zee kan. Met die rotsblokken voor de ingang zit ik opgesloten. En dan mogen jullie ook nog eens alles hebben wat jullie in het wrak kunnen vinden.”

Hoe moesten de avonturiers dat voor elkaar krijgen? Lavinia probeerde nog wat met haar altijd scherpe dolk maar dat zou te lang gaan duren. Wat lag er verder nog in deze grot dat ze konden gebruiken? De vaatjes langs de kant bleken gevuld met perziklikeur. Dat was vast brandbaar. En in het wrak vonden ze,  naast het logboek van de kapitein, een merkwaardige pijl die in een glazen kistje had gezeten dat nu verbrijzeld was. Volgens Moreta, die wel wat wist van alchemie, was het een exploderende pijl. Hmmm.

Maar konden ze de vaatjes perziklikeur niet doen ontploffen door middel van een spreuk van de tovenaar Saruman? Tot nu toe had hij zijn vuur spreuken niet durven te gebruiken uit angst dat het in combinatie met de zwaveldampen een enorme explosie zou geven. ( Zijn zwaveldampen eigenlijk wel brandbaar?) Maar hier was geen zwavel.

Bovendien deed zich de vraag voor hoeveel vaatjes ze dan moesten gebruiken. Hoeveel was genoeg? Guldan pleitte ervoor om slechts zes van de zeven vaatjes neer te zetten. Dat moest toch voldoende zijn. Meester Ogdoa, de klokkenmaker bood hen aan om in zijn werkplaats te schuilen voor de explosie.

Saruman bereidde zich voor op zijn belangrijke taak. In zijn hoofd herhaalde hij nog eens de magische woorden en de bijbehorende gebaren. Daar begon hij. De helden hielden hun handen voor hun oren en zetten zich schrap.

Sizzel. Pffft.

Oeps! Er gebeurde niets. Saruman lachte wat schaapachtig naar zijn vrienden.

IMG_7689

Dan toch maar de explosieve pijl gebruiken. Lavinia bleek de beste boogschutter en schoot de pijl vakkundig in een van de middelste vaatjes. Een enorme explosie volgde die de grot op zijn grondvesten deed trillen. Was  de perziklikeur inderdaad explosief, of was alleen die pijl genoeg geweest? We zullen het nooit weten.

Nadat het stof was opgetrokken kwamen de helden weer tevoorschijn uit de werkplaats van mijnheer Ogdoa om het resultaat te belijken. De opening was niet heel erg groot maar volgens de octopus ruim groot genoeg om door naar buiten te zwemmen.

Een paar van de avonturiers wilden ook nog de andere helft van het wrak bekijken maar waren wat huiverig om dat te doen in de aanwezigheid van al die haaien die bezig waren om de dode orken en smokkelaars te verorberen. Het water kolkte met bloed en scherpe haaientanden.

De octopus verzekerde hen echter dat de haaien met hem in de buurt geen probleem zouden zijn. Grijnste hij er nou bij? Kunnen octopi grijnzen?

Hoe dan ook, in het andere deel van het wrak was niet veel te vinden. Wat lijken in verregaande staat van ontbinding. Waarschijnlijk de bemanning die een paar weken geleden omgekomen was toen het plafond van de grot op hun schip neerstortte.

Meester Ogdoa verzekerde hen ervan dat het probleem van de natte voeten voorbij zou zijn voordat ze het vasteland zouden bereiken. En dus vertrokken de helden weer richting de boot. Even deed zich de vraag voor hoe ze hun gevangenen moesten vervoeren, maar ze bleken een eigen roeiboot te hebben. Nou ja, het was ooit een roeiboot geweest. Laten we zeggen dat het ding nog dobberde maar daar was dan ook alles mee gezegd. Gelukkig hadden ze op aanraden van de visser een emmer meegenomen, ( voor het geval ze nog wilden vissen onderweg), die kon gebruikt worden om tijdens de tocht het water weg te scheppen dat steeds weer door de gaten van het bootje kwam.

De orken hadden kennelijk geen boot. Volgens Grosh, de jonge ork, hadden ze waarschijnlijk schipbreuk geleden in de storm van vannacht.

De helden bonden het lekke roeibootje achter de vissersboot en togen weer naar de haven. (Maar eerst wilde Moreta nog even kijken bij de resten van de brug aan de zuidkant. Daar zouden volgens de jonge ork nog wel eens zeemeerminnen zitten. En de schubben van deze wezens had zij nodig voor een drankje.)

Afijn, halverwege de tocht dook er plotseling een dolfijn op met de buidel die ze aan de godin hadden gegeven. Vol met zoutwaterparels. Een mazzeltje.

IMG_9344

Tuangith

Toen ze de haven naderden merkten ze op dat alle vlaggen in de stad halfstok hingen. Wat was er aan de hand?

De havenmeester aan wie ze het lekke bootje verpatsten vertelde hen het vreselijke nieuws. De koning was dood. Vermoord! Samen met de rest van de bewoners van kasteel Aris, dat zich iets ten noorden van de stad bevond.

“Ook de troonopvolgers?” vroeg Moreta.

“Waarschijnlijk wel, ” antwoordden de man, ” Het is moeilijk te zeggen. De meeste lichamen schijnen voor een groot deel verbrand te zijn. De koning hebben ze herkend aan de botbreuken die hij ooit gehad heeft, maar ja, niet iedereen kon zo geidentificeerd worden. ”

“De koningin en de prinsjes niet dus,” zei de elven sorceress.

De haven meester voegde nog toe dat het vreemde was dat de poorten van het kasteel van binnen gesloten waren en dat de Koninklijke Elite de boel aan het onderzoeken was.

“En wie regeert het land dan nu?” vroeg Moreta.

“In eerste instantie de Raad der Ouderen, ” zei de havenmeester, “En verder zijn er twee kandidaten voor de Griffioenstroon. Als eerste de zuster van de koning en als tweede zijn oom, de broer van de vorige koning.”

Nadat de helden de vissersboot weer hadden teruggegeven aan Gunnar en hun borg hadden teruggekregen leverden ze de smokkelaars uit aan de eerste de beste sergeant van de stadswacht die ze tegenkwamen. De man beloofde dat hij ze zorgvuldig zou opsluiten.

Bij de orks namelijk die een paar dagen geleden nog de haven onveilig hadden gemaakt. Hij legde uit dat het dit jaar verkiezingstijd was in het Koninkrijk der Duizend Eilanden. Ze kozen dan een nieuwe Hoge Koning. Volgens een van de weinige wetten die dat koninkrijk had mocht er dan niet in het koninkrijk gevochten worden.

“Maar ja, de haven van Tuangith is natuurlijk geen onderdeel van het Koninkrijk  der Duizend Eilanden, duss…”

De man zuchtte diep. “We proberen dan altijd om ervoor te zorgen dat er niet meer dan een orkenschip in de haven is, maar dat is dus even fout gegaan.”

Ondertussen bekommerden Guldan en Lavinia zich om de hond Max, die wel heel erg triest keek. Lavinia wist te achterhalen dat de hond dacht aan zijn vorige baasje. Twee beelden kwamen bij de hond op. Een beeld van een lachende man die de hond aaide en met hem speelde. En een tweede beeld waarin diezelfde man met beide handen de kop van Max vastpakte en zei: “Bescherm hen.”

Over wie de man het had was niet duidelijk.

En zo togen de reisgenoten de stad in op zoek naar een warme maaltijd en een zacht bed.

Wordt vervolgd….

En oh ja, de natte voeten van drie van de helden waren eindelijk droog. En op het Misteiland nestelde mijnheer Ogdoa de octopus zich behaaglijk in het door de helden leeggeruimde wrak terwijl boven Grosh de ork tevreden fluitend, of wat daar voor door ging, de gangen van de tempel ontdeed van de vieze voetafdrukken van zijn soortgenoten. Orde en netheid. Daar ging hij voor.

Petra Schulein Coret

Kom een keer spelen

Elke zaterdag van 10 tot 17 uur in Delft, en op woensdag- en donderdagavond. Je bent welkom om te kijken of mee te doen.