, , ,

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (5): Meubilair in Opstand”

·

6 maart 4476 Witte Tempeltijd

IMG_8630

De volle maan zorgde voor een rusteloze nacht voor de meesten van de bewoners en bezoekers van de herberg. De gelagkamer zat vol met lodderige en gapende gasten.  Lavinia, opgevoed door wolven, had natuurlijk nergens last van. Maar dat kan ook gelegen hebben aan het feit dat zij in een kamer onder de herberg sliep waar van het licht van de maan niets te merken was.

Onze helden bespraken aan het ontbijt de brief die zij van Guldan hadden gekregen die nog steeds in retraite was in het klooster Swaenebeek. Hij had een oude broeder gesproken die hem een verhaal vertelde dat wellicht een verklaring was voor de natte voeten van drie leden van het gezelschap. Er was een legende over een oude klokkenmaker die lang geleden elke dag stond te wachten bij de haven. Zijn zoon was op weg gegaan om een paar klokken af te leveren bij een sultan ergens op een van de duizend eilanden. Die zoon was tot op heden nog niet teruggekeerd.

De Vierde Broeder, -watergod, god van scheepvaart, scheepsbouw, visserij en al het andere wat op en om het water wordt gebouwd-,  verscheen plotseling naast de oude man. De god was altijd al geinteresseerd geweest in de tijd. Of beter gezegd, het verstrijken van de tijd en hoe je dat kon bijhouden. Hij stelde de oude man voor om een waterklok te maken. Een zeer speciale waterklok, die eeuwig moest blijven lopen en ervoor zou zorgen dat zijn eigenaar altijd in contact zou zijn met het water. In ruil daarvoor zou hij ervoor zorgen dat de zoon weer veilig terugkwam.

De oude man stemde er mee in. Nu was het zo dat de zoon van de klokkenmaker gevangen was genomen door piraten, die hem als galeislaaf hadden ingezet. Op een dag was er een vreselijke storm waarbij alle opvarenden van het schip, op een na, om het leven kwamen. De zoon van de klokkenmaker bleef gespaard en kon zich vastklampen aan een stuk van de romp. En het vreemde was: iedere keer als hij dorst had begon het te regenen en kon hij water verzamelen in een oude pot die hij uit het water had weten te vissen. En steeds als hij honger had sprongen er spontaan vissen op uit het water, die hij kon vangen en  opeten. Na verloop van tijd kwam er een schip langs met kooplieden uit zijn eigen land. En zij hebben hem uit het water gevist en weer naar huis gebracht. Op de dag dat het schip de jongeman terugbracht, stond de klokkenmaker weer bij de haven. Vol vreugde sloten vader en zoon elkaar in de armen. En daar verscheen ook de Vierde Broeder. De oude klokkenmaker riep een van zijn gezellen en samen met wat collega’s brachten zij de waterklok naar de god.

Zou dit de klok zijn die ze gevonden hadden? Misschien moesten ze de waterklok maar niet verkopen.

De herbergier hoorde dat ze het over de waterklok hadden en bemoeide zich met het gesprek. Ze hadden de klok zolang even in de herberg gezet in afwachting van het moment dat de handelaar het geld bij elkaar had. Maar het was de herbergier en zijn dochter opgevallen dat de klok lekte. Dat was raar, want er zat geen water in. ( Die hadden de reizigers eruit gegoten om hem makkelijker te vervoeren.) Toch verscheen er steeds weer een poeltje water rond de klok. En toen Felicia, de dochter van de herbergier, voor de zoveelste keer de vloer aan het dweilen was rondom de klok en ze ook maar eens de klok afsopte ontdekte ze dat er op de achterkant iets geschreven stond.

Het waren de instructies voor de klok. Het bleek essentieel te zijn dat de klok nooit zonder water was. En dat mocht niet zomaar water zijn. Voor het beste resultaat was heilig water nodig uit de bron van de Vierde Zuster ( de water- en zeegodin en echtgenote van de Vierde Broeder). Als de klok leegstond kon dat een verstoring veroorzaken in het magische veld. En lekkage dus. Dat klonk niet goed. 

En de enige persoon die geschikt was om de klok dan weer te repareren was de Klokkenmaker van de Achthoekige Tempel, volgens de instructies. De herbergier had nog nooit van de Achthoekige Tempel gehoord maar hij wist nog wel te vertellen dat er op een eiland in de rivier de Fenissei ruines waren waaronder een gebouwtje dat achthoekig was. Gezien het feit dat de Fenissei de zoon van de Vierde Zuster was en de stiefzoon van de Vierde Broeder, zou dat de plek kunnen zijn die bedoeld werd.

Na enig overleg besloten de reizigers dat ze een bezoek aan het eiland zouden uitstellen tot het moment dat hun kameraad Guldan weer aanwezig zou zijn. Het ging per slot van rekening om de god die hij diende. En die hij dus kennelijk onbedoeld had gegriefd.

Na het ontbijt verontschuldigde Moreta, de elven sorceress, zich bij de rest van de groep. Ze had een afspraak met de oude vrouw Margaretha om haar lessen in de alchemie voort te zetten. Het draakje vertrok naar de vijver om zijn Grippli vriendjes te trakteren op wat koekjes. (En zo uit de buurt te blijven van de kokkin, die alweer moest constateren dat de helft van haar versgebakken koekjes verdwenen waren. Overigens had iemand ook aan haar moestuin gezeten;  er waren wat kroppen sla en bloemkolen verdwenen. “Burp!”,  zei de kever van Saruman.)

De deur van de herberg opende zich voor een drietal elven. De oudste van hen sprak de reisgenoten aan. Hij was op zoek naar een dief. Een specifieke dief. Deze half elf had een halsketting gestolen van Vrouwe Eilydis, de elven ambassadrice van het Woudrijk en tevens zijn tante. De hals ketting, van zilver en maansteen, was op zich niet zo kostbaar maar het was een erfstuk en zijn tante was er aan gehecht. Voor diegenen die de dief, of de hals ketting, naar haar terugbracht was een beloning uitgeloofd.

De dief had bruin haar, bruine ogen en een gemiddelde lengte en postuur. De enige twee dingen die hem onderscheidden waren een bliksemvormig lidteken op zijn pols en een tatoeage van een dolfijn op zijn achterwerk.

Terwijl de elven kapitein dit aan het uitleggen was, kwam een van de jongere elven dichterbij en bestudeerde de hanger die Amaril, de elven krijger, droeg.

“Zee elf!,” riep hij woedend, ” Moordenaar! Verrader!” En hij vloog de arme verbijsterde Amaril aan.

“Laat hem met rust!”, riep de elven kapitein, “Zelfs al zou hij een zee elf zijn dan is hij nog niet schuldig aan de dood van jouw grootvader! Beheers je, of ik stuur je terug naar het Woudrijk!”

“Excuses, ” sprak de oudere elf tegen Amaril, ” Zijn grootvader is vermoord door een zee elf piratenkapitein. En nu heeft hij een hekel aan alle zee elven. Maar het is 700 jaar geleden gebeurd en de zee elf in kwestie is hoogstwaarschijnlijk zelf ook dood. Tamryns gedrag is volkomen onbeschoft.

Nogmaals, excuses. Kijkt U uit naar de dief van Vrouwe Eilydis’ halsketting?”

En met die woorden verlieten hij en de twee andere elven de herberg.

Door de open deur vloog een warrige baal veren de herberg binnen en landde, -nou ja, het leek meer op neerstorten-, op de tafel van onze helden.

Het was een uil. Een oehoe om precies te zijn. Hij keek enigszins wazig uit zijn ogen en wankelde op zijn poten.  Bovendien had hij een behoorlijke buil op z’ n kop.

“Oehoe!”, zei de uil. Hij strekte zijn linkerpoot uit naar de reisgenoten. Een klein bronzen kokertje dat om zijn poot gebonden was  werd heel even zichtbaar voordat de uil zijn gewicht verloor en achterover van tafel viel.

“Oehfff!!”, klonk zijn pijnvolle kreet.

Nadat de uil weer op tafel getild was bleek er een piepklein briefje in het kokertje te zitten.

Ene magister Everard had daarop een noodkreet geschreven:

‘Word belegerd in mijn eigen huis
Hou het niet lang meer vol
Beloning verzekerd. Volg uil.
Mag. Everard.’

Lavinia keek de uil diep in zijn ogen. Waar moesten ze naartoe?
Naar het noorden, was het antwoord.Wat  was er gebeurd?

Een stroom beelden vormde zich in het hoofd van de halfling. De herinneringen van de uil.

Een ronde kamer, verlicht door vele brandende kaarsen. In het midden staat een oude man achter een lessenaar, hij is gekleed in het gewaad van een tovenaar. Hij spreekt magische woorden.

Dan gaan de kaarsen ineens uit. De tovenaar schreeuwt. Er klinkt angst en pijn in zijn stem. Maar vordat de uil iets kan doen vliegt er iets zwaars tegen zijn kop. De uil valt op de grond en verliest langzaam het bewustzijn. Hij merkt nog net dat een hand hem oppakt.

Een tijd later ontwaakt de uil. Hij zit in een kleine kamer samen met de tovenaar. Deze ziet er slecht uit. Zijn linkerarm is gebroken, zijn gezicht is bont en blauw. Een oog is dicht en opgezwollen en zo te zien is er iets mis met zijn rechterbeen. Hij kan alleen nog kruipen.

In zijn hand heeft hij een flesje waar nog een paar druppels in zitten. De tovenaar giet de vloeistof in de snavel van de uil. Bittere druppels maar de uil voelt zich wel beter. Dan propt de tovenaar hem door een vrij nauwe opening. ” Zoek hulp!”,  mompelt de tovenaar. De uil valt een stuk naar beneden en vliegt weg.

 ” Zullen we deze man dan maar gaan helpen?”, vroeg Saruman. “Die beloning klinkt goed.”

De overige drie stemden daarmee in.

En zo gingen ze op pad.

Aangezien de uil niet echt meer in staat was om te vliegen kreeg Grasshopper de taak om het beest te helpen. Het moet gezegd worden dat de panda monnik nou niet heel zorgvuldig omging met de arme uil. Hij slingerde de vogel over z’ n schouder waarop de uil vreselijk misselijk werd en prompt moest overgeven. De panda was daar niet echt blij mee en sleepte het vogelbeest vervolgens aan een poot over de grond. Daarop wist de uil zich aan zijn greep te ontworstelen en klom zo goed en zo kwaad als mogelijk op de brede schouder van de panda. Daar hield hij zich in evenwicht door zijn scherpe klauwen in de monnik te slaan en zich met zijn snavel vast te houden aan een panda oor.

Nee, die twee waren niet echt aardig tegen elkaar.

Na verloop van tijd kwamen ze op een open plek met een bescheiden huis met een toren. De tuin was perfect onderhouden en in een schaduwrijk hoekje bevond zich een net graf met wat verlepte bloemen in een stenen vaas. Er stond ook een hutje.

De tovenaar Saruman probeerde uit te vissen wat er magisch gezien aan de hand was. Zijn spreuk  bezorgde hem een stekende hoofdpijn. Chaos regeerde in het huis. Er was iets heel erg mis.

Als eerste probeerden de helden of ze via de voordeur naar binnen konden. Deze deur had echter geen deurklink en ook geen slot. Er was wel een deurklopper in de vorm van een leeuw. Aankloppen dan maar.

Een diepe stem stem vroeg wie er was. Maar niets wat de reisgenoten zeiden zorgde ervoor dat de deur openging. Toen de uil met zijn snavel de klopper gebruikte klonk het dat het luikje openstond. Daar wilde de uil absoluut niet door naar binnen. Er vloog iets onnatuurlijks voorbij daar in het huis en de uil weigerde zelfs maar in de buurt te komen.

De halfling Lavinia besloot het hutje te onderzoeken terwijl de anderen om het huis heen liepen in de hoop dat ze door een raam of zo naar binnen konden. Nu zagen ook zij dat op de hogere verdiepingen ‘dingen’ vlogen die op een geen enkele manier levende wezens konden zijn. De uil wilde er niets mee te maken hebben en ontsnapte aan de hardhandige greep van de panda en landde met wat onhandige vleugelslagen op het dak van het hutje. Van daar onservereerde hij de panda monnik met wantrouwige ogen. “Oehoe!”

In het hutje ontdekte Lavinia een luik onder het stro. Het enige probleem was het slot. Dat was ingewikkelder dan ze tot nu toe had meegemaakt. Ze ging ervoor zitten om eens heel goed te bestuderen hoe het slot in elkaar zat.

Ondertussen had de rest besloten dat ze het best door een raam naar binnen konden gaan. De elven krijger Amaril stak zijn zwaard tussen het raam en de sponning en begon te wrikken. Dat ging niet van een leien dakje. De sterke panda moest eraan te pas komen om het raam te openen en zelfs Saruman deed een poging om te helpen. Het werd al gauw duidelijk dat hij zich vooral bezig moest houden met toveren.

Uiteindelijk was het raam ver genoeg open om door naar binnen te klimmen. Amaril ging als eerste. Hij bevond zich in een typische vrijgezellen keuken. Er stonden wat stoelen en een tafel en er was een fornuis waarop gekookt kon worden. Een korte trap liep naar een bovenverdieping waar nog een  tafeltje stond met daarop een thee servies. Er was een deur die hopelijk naar buiten leidde en een doorgang naar een andere ruimte.

Toen kreeg de elven krijger de schrik van zijn leven. De tafel verhief zich op zijn achterste poten en rende naar hem toe, net als de stoelen die aan weerszijden meegalopeerden. Voor hij het wist had hij de eerste klap van een tafelpoot te pakken.

De andere twee zagen het gebeuren door het raam en de panda kroop onmiddelijk naar binnen om te helpen. Dat was nog niet makkelijk met dat grote panda lijf en het zag er ook niet direct elegant uit. Zeker niet toen hij halverwege dreigde te blijven steken. De tovenaar Saruman riep hard om hulp.

Dat hoorde de halfling die daarop het luik maar het luik liet en een sprintje trok naar de zijkant van het huis.

Daar was het merkwaardige gevecht in volle gang. De tafel deelde rake klappen uit aan de arme Amaril en de stoelen  misten voornamelijk maar stonden wel hinderlijk in de weg. Saruman stuurde zijn kever Gandalf op hen af, maar die begreep het niet helemaal. Hij ging braaf op een stoel zitten en stampte erop los, zonder enig effect. Links en rechts werden de reisgenoten belaagd door wraakzuchtig meubilair.

IMG_0569

Het kostte veel pijn en moeite om de meubels tot brandhout te verwerken. Vrijwel iedereen zat onder de blauwe plekken en erger. Nader onderzoek in de keuken leverde niet heel veel op. Toch fijn trouwens dat de inhoud van de bestekla niet bewoog. En dat de pannen ook bleven hangen. Of bewoog er toch een? Nee, zal wel niet.

De aangeslagen elven krijger onderzocht de bovenste verdieping. Hij verstijfde toen de theepot opsteeg en naar een theekopje toe bewoog. Maar het enige wat er gebeurde was dat er geurige thee in het kopje werd geschonken. Daarna kwam de suikerpot langs die het kopje ongeveer voor de helft volgoot met suiker. En keek het melkkannetje hem nu vragend aan?

De elf schudde zijn hoofd. Geen melk in zijn thee. Teleurgesteld ging het melkkannetje weer op zijn plek staan.

Merkwaardig.

Terwijl de elf daarmee bezig was bekeek de halfling de deur. Geen slot, geen val. Zou veilig moeten zijn. Ze opende de deur die naar een ronde kamer leidde met een wenteltrap naar boven.

Grasshopper was door de opening in de muur naar de andere kamer gelopen. Ook daar stond een tafel en was stoelen. Een trapje naar boven leidde naar een slaapkamer met twee bedden. Er was een deur naar een andere kamer en een behaaglijk rood tapijt. Hoge kwaliteit zo te zien, gemaakt in het zuiden met ingewikkelde abstracte patronen.

Zodra hij echter op het tapijt stond begon het ding te bewegen. Beide uiteinden richtten zich op en het tapijt wikkelde zich om hem heen als een slang. Het begon de panda te wurgen.

 “Lllppp!”, wist Grasshopper nog uit te brengen. Hij probeerde met man en macht het tapijt van zich af te trekken. Dat lukte niet.

Lavinia was als eerste ter plekke en trok haar altijd scherpe mes. Het viel nog niet mee om de panda te bevrijden. Het tapijt was stug en nogal strak om de monnik heen gewikkeld. De geluiden die uit het tapijt kwamen waren niet echt hoop gevend. Het ging slecht met Grasshopper.

Saruman stuurde zijn kever er op af. Die keek hem aan met vraagtekens in al zijn facetoogjes. Wat werd er nou van hem verlangd? De halfling kon nog net verhinderen dat de tovenaar met zijn staf op het tapijt ging slaan. Elke klap op het tapijt was ook een klap op Grasshopper.

Amaril volde zich enigszins wankel en strompelde langzaam richting de andere kamer. Het volle  theekopje volgde hem. Vreemd.

Lavinia bleef met haar mes snijden in het tapijt. Er kwam inmiddels geen geluid meer uit de panda. Het thee kopje vlijde zichzelf neer in de buurt van het wurgende tapijt dat na een vakkkundige prik ietwat losser leek te zijn.  En na nog wat sneden bewoog het tapijt ook niet meer.

Nadat ze het tapijt rondom de bewusteloze panda verwijderd hadden kwamen ze op het idee om de thee in de mond van de monnik te gieten. En zowaar gingen zijn ogen open. Er werd flink gezocht en gerommeld in de verschillende rugzakken om voldoende middelen te vinden om zichzelf weer op te lappen. Wat misten ze Guldan!

Ondanks het feit dat nu wel afdoende was aangetoond dat je verspreiden als groep heel gevaarlijk kon zijn gingen de verschillende leden van de groep verschillende kanten op.

Saruman liep de trap op naar de slaapkamer. Gelukkig bleven de bedden stil staan en ook de twee schilderijtjes van een oude vrouw en een tovenaar met dezelfde ring als hij had aan de muur bewogen niet. Het bed onder het vrouwenportret was keurig opgemaakt, het andere een puinhoop. Onder de bedden was verder niets te vinden behalve een hoop stof en een muizenval. Saruman stak het portret van de oude tovenaar in zijn rugzak.

IMG_8634

Grasshopper opende de deur naar de volgende kamer. Het was een huiskamer annex ontvangstkamer en er stonden drie forse boekenkasten achterin. Leeg. Waar de boeken gebleven waren was niet duidelijk. Ook deze kamer had een bovenverdieping; een soort van logeerkamer of rommelkamer zo te zien met een stapelbed en een pianola. Maar wat de panda veel meer interesseerde was de deur halverwege de trap. Hoorde hij nu een stem?

Het zou kunnen. Echter, zodra de panda monnik een stap in de kamer zette begonnen de kasten achterin te bewegen. Het waren logge meubelstukken die zich moeizaam voortbewogen. Grasshopper besloot een sprintje te riskeren. Razendsnel voor een wezen met zijn omvang rende hij  verder de kamer en dook viegensvlug tussen de kasten door. Ze konden zo te zien de trap niet op dus hij was voorlopig veilig. In de deur zat een klein luikje en daarachter verscheen het gewonde gelaat van de oude tovenaar. “Eindelijk!”, zuchtte de man, “Je bent toch niet alleen, hoop ik?”

Dat was de panda inderdaad niet, maar Lavinia en Saruman waren ondertussen de onderste verdieping van toren ingegaan. Hier was een soort van voorraadkamer en tevens de voordeur. Veel bijzonders was er niet te vinden, hoewel kwade tongen beweren dat Saruman er een klein doosje met ovale blauwe pilletjes heeft gevonden dat hij schielijk in zijn zak stopte. Geen idee waar dat over ging. Amaril voelde zich nog steeds wat zwakjes en volgde op een afstandje.

Boven hen ritselde het.

De oude magister liet  Grasshopper de kamer binnen en legde uit dat het een magie vrije ruimte was, speciaal bedoeld voor noodgevallen. Hij liet zien dat er een luik in de bodem zat die naar een tunnel leidde waardoor hij naar buiten kon. Dat was tenminste de bedoeling. De aardbeving had de tunnel doen instorten zodat hij geen andere keus had gehad dan zijn uil met een briefje hulp laten zoeken. Zelf kon hij, gewond als hij was, de blokkade in de tunnel niet opruimen. Hij kon eigenlijk nauwelijks kruipen.

De panda vroeg wat er nu eigenlijk gebeurd was en de oude tovenaar legde uit dat hij een nieuw toverboek op de kop had getikt en een spreuk uitgeprobeerd had die ervoor zou zorgen dat er altijd een stoel achter hem aan liep zodat hij kon zitten. Hij had nogal last van zijn rug de laatste tijd. Helaas werkte de spreuk niet helemaal zoals gewenst en werd zijn meubilair mobiel en vijandig.

Ondertussen slopen de halfling en de tovenaar via de wenteltrap naar boven. Daar was een bibliotheek, zo te zien. En een werkbank met alchemistische spullen. Die herkenden ze inmiddels. Plotseling werden ze aangevallen door twee vluchten boeken die zich in duikvlucht op hun hoofd en schouder lieten vallen. De vliegende boeken waren moeilijk te raken en hoewel dit keer de kever het wel snapte en een van de boeken beet zo hard hij kon bleven er voldoende boeken over die de twee avonturiers aanvielen. Gezamelijk wisten ze de aanval te weerstaan en de boeken onschadelijk te maken. Gelukkig stonden er op een plankje nog twee flesjes met een handschrift dat ze inmiddels goed kenden. De oude vrouw Margaretha had hen voldoende geneeskrachtige drankjes geleverd en kennelijk had de bewoner van deze toren ook zaken met haar gedaan.

Een welkome vondst.

De wenteltrap ging nog verder naar boven en op de bovenste verdieping troffen ze de kamer aan uit de beschrijving van de uil. Hier stond een lessenaar midden in een magische cirkel. Op de lessenaar lag een opengeslagen boek. Saruman deed automatisch een stap naar voren en kreeg een akelige schok toen hij over de cirkel stapte.

Wat was dit nu weer?

Beneden, in het magievrije kamertje, vroeg Grasshopper aan de oude tovenaar wat ze moesten doen om een en ander weer tot rust te brengen. Het antwoord was simpel; ze moesten het boek sluiten. De panda verliet voorzichtig het kamertje om het aan zijn vrienden te vertellen.

Het boek in kwestie begon uit zichzelf te bladeren en eindigde op een spreuk die magische projectielen naar de avonturiers zou sturen. Dit stopte toen de halfling in de magische cirkel stapte en  met haar mes het boek probeerde te doorboren. Het mes ketste af op een onzichtbaar schild. Ook het zwaard van de elf, die inmiddels ook boven was, boog af voor het boek doorkliefd kon worden. En steeds als iemand de cirkel instapte kreeg hij of zij een schok.

De panda sprintte op topsnelheid door het huis, voorbij de bewegende boekenkasten, en voorbij het moordlustige tapijt ( gelukkig nu uitgeschakeld), en schreeuwde alvast onder aan de wenteltrap dat ze het boek moesten dichtslaan.

“Wat zei hij nu?”, vroeg Saruman, “Moet ik het boek lezen?” Hij stapte naar voren.

Hijgend rende de panda met twee en drie treden de trap op en wist de tovenaar nog net weg te trekken bij het boek.

“We moeten het boek sluiten!”

Het vereiste de kracht van alle vier de avonturiers om deze taak tot een einde te brengen. Daarna viel een diepe rust over het huis.

Magister Everard was erg dankbaar en schonk de reisgenoten hun beloofde beloning, bestaande uit goudstukken, een jade armband, magische voorwerpen en een speciale instructie voor Saruman betreffende zijn ring.

Na ettelijke koppen verkwikkende magische thee vertrok het viertal, de oude tovenaar achterlatend in de puinhopen van zijn huis. “Ergens moet ik nog een bezem hebben,” mompelde hij bij het afscheid.

Vermoeid en nog steeds enigszins beurs gingen de reisgenoten op weg naar huis.

“Halt!”, riep een stem. “Geef ons al je geld en je kostbaarheden en dan laten we je leven.”

Wat nou weer?

Een zestal boeven versperde hen de weg. Daar hadden de reisgenoten nou echt geen zin in. Ze maakten korte metten met vier van de rovers, waarop de overige twee het hazepad kozen.

De rovers hadden niet veel bij zich, behalve een soort van boodschappenlijstje met magische voorwerpen die ze kennelijk van hun baas, ene M., moesten verzamelen. En de rovers werd gemaand wat zuiniger te zijn met antigif. De flesjes waren bijna op en het ontvoeren van de oude vrouw Margaretha zou nu niet meer lukken aangezien ze in de herberg veel beter bewaakt werd dan voorheen.

Ook vonden ze een merkwaardige gele steen bij een van hen.

Dan waren ze eindelijk thuis. De handelaar, Wilhelm van Wolfrijk, was ook weer terug. Hij had voor hen het schilderij van de dame uit de tombe van Laetitia verkocht aan de Barones Douairiere. Zij was kunstkenner en dacht bovendien dat het een ver familielid betrof.

Terwijl de groep aan het onderhandelen was over de verkoop van van alles en nog wat wat in de loop van de tijd in hun rugzak terecht was gekomen, hoorden zij een luide ‘krak’.

En nog een ‘krak’, en nog eens ‘krak’ en ‘krak’.

De gele steen bleek een drakenei te zijn, een van de dingen die op het lijstje van de rovers stond. En het ei was zojuist uitgekomen. Een klein draakje, -nou ja,  het was nog steeds bijna net zo groot als Lavinia-, stak zijn kop uit de eierschaal en brulde.

Zelfs zonder de vertaling van Lavinia, die een affiniteit heeft met allerlei wilde wezens, was overduidelijk dat het beestje honger had. Volgens de herbergier leek het nog het meest op een topaas draakje. Die leefden langs de oevers van de rivier. Hij had ze wel vaker gezien.

Nadat het beestje volgestopt was met vis, ( dat had hij kennelijk het liefst), ging het gezelschap nog een keer naar buiten die dag. Het schemerde inmiddels.

In de buurt van de rivier vloog inderdaad een wanhopige topaasdraak rond. Dit was de moeder van het draakje. Ze vertelde dat het ei die nacht was gestolen door lieden die een tunnel hadden gegraven naar haar hol. Als dank voor het terugbrengen van haar kleintje schonk ze de reizigers een zak vol met bronzen en albaster beeldjes die ze bij het vissen had gevonden op de bodem van de rivier. Daar kon ze toch niets mee.

Eenmaal terug in de herberg werden ze geconfronteerd met een uitzinnige Moreta die net terugkwam uit het laboratorium van Margaretha. Zij was dol op draken en had het draakje  best willen houden.

En pas later, veel later, herinnerde iemand zich dat ze niet gecontroleerd hadden of een van de rovers de door de elven gezochte dief was. Dat zou toch suf zijn als ze door onoplettendheid een beloning zouden mislopen…..

 Wordt vervolgd….

 Petra Coret

Kom een keer spelen

Elke zaterdag van 10 tot 17 uur in Delft, en op woensdag- en donderdagavond. Je bent welkom om te kijken of mee te doen.