, , ,

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (4): Schaduwen in het Susterwoud”

·

3 maart 4476 Witte Tempel Tijd
(door Petra Schulein)

IMG_8088Het vorige avontuur eindigde, zoals trouwe lezers zich zullen herinneren,  met een barbecue op het strand vlak naast een vuurtoren.  De helden waren net tevoorschijn gekomen uit een onder water gelopen necropolis en hadden een visioen gehad waarin de spooksoldaten een gevecht aangingen met een stel orken op het strand die een zware kist bij zich droegen. De orken wisten de kist aan boord te slepen van een roeiboot die verdween in de mist.
Het spoor leek dood.  Maar wellicht wist de vuurtoren wachter meer over het incident. Verhalen van lang geleden, die van generatie op generatie werden doorverteld.
Echter, eerst moesten ze terug naar de herberg. De sorceress Moreta verbleef daar immers nog steeds en de nieuwste aanwinsten moesten op waarde geschat en eventueel verkocht worden.
Het was nog een heel gesleep. Zeker met die waterklok. De priester Guldan constateerde halverwege dat zijn schoeisel waarschijnlijk lek was geraakt en dat het water van de afgelopen regenbui, of van de ondergelopen begraafplaats,  steeds naar binnen sijpelde. Ook de Panda monnik had steeds natte voeten, maar hij weet dat aan het warme klimaat in dit land dat hem zweetvoeten bezorgde. Onderwijl verwonderde de tovenaar Saruman zich lichtjes over het feit dat waar hij ook stond, hij steeds in een plasje water stond.
Hoe dan ook, de groep vermoeide reizigers kwam aan bij de herberg alwaar Guldan aankondigde dat hij een paar dagen in retraite ging in een nabijgelegen klooster. Daar, in het Swaenebeek Klooster – bekend van de Swaenebeek Triple, het beste bier in drie koninkrijken- wilde hij zich oefenen in genezende spreuken. En, vooruit, misschien wat bier drinken…ehh… brouwen.
De rest rustte een paar dagen goed uit en bracht een bezoekje aan de handelaar, Wilhelm van Wolfrijk. Twee voorwerpen werden nog niet meteen verkocht. Het schilderij van de mooie dame was misschien geschilderd door een bekende schilder en zou dan meer waard zijn. Wilhelm beloofde uit te zoeken wie het was.
En de waterklok. Die was te duur voor de handelaar. Zoveel geld had hij momenteel niet bij zich. Hij vroeg de reisgenoten om even te wachten tot na het Lentefestival. Daar stemden ze allen mee in.

De vuurtoren

De volgende dag vertrokken Moreta, Lavinia, Grasshopper, Saruman en Amaril naar de vuurtoren. Ze troffen de vuurtorenwachter aan voor zijn toren. De man gaf instructies aan de werklieden die op een steiger bezig waren met groot onderhoud.
De reizigers spraken hem aan en hij vertelde hen met enige trots dat er al duizenden jaren een vuurtoren stond op deze plek. Niet altijd dezelfde vuurtoren natuurlijk, hij was ook wel eens afgebrand, verwoest, afgebroken en weer opgebouwd. Maar wel altijd op dezelfde plek. Maar zijn archieven gingen tot de grote teleurstelling van het gezelschap niet verder terug dan zo’n achthonderd jaar. Het was een fijn beroep, vertelde de man. Gezonde zilte zeelucht, een prachtig uitzicht over de baai en ver weg van zijn schoonmoeder.
Op dit moment was hij bezig de kelder uit te mesten. Dat was wel eens nodig. Je weet hoe dat gaat: je hebt wat zooi die je niet meer nodig hebt maar die je ook nog niet wilt weggooien en dan zet je dat zolang in de kelder. En vergeet het vervolgens. En dan komt er alleen maar meer zooi bij tot je je kont niet meer kunt keren. En de vuurtoren had drie kelderlagen en er was al minstens tweehonderd  jaar niet opgeruimd.
Hij was nu zover dat hij de bovenste kelderlaag had leeggeruimd en zag op tegen de rest. Konden de avonturiers misschien meehelpen? Hij was bereid eventuele kostbaarheden met hen te delen. Vooropgesteld dat ze de gouverneur van de stad Tuangith, van wie deze vuurtoren was, niets zouden zeggen. Mooi beroep, hoor, vuurtorenwachter, maar het salaris was niet riant.
Onze helden waren uiteindelijk, na wat heen en weer onderhandelen over de verdeling van de opbrengsten, best bereid om mee te helpen. Per slot van rekening moet je toch ook denken aan de kleine kas, nietwaar?
Er werden op de tweede laag niet veel spullen gevonden die de moeite waard waren om te bewaren. Wat kinderspeelgoed, een paar laarzen die de vuurtoren wachter al een tijdje kwijt was, en een zestal kapotte stoelen met voldoende poten om er twee weer compleet te maken.
Ook troffen ze een kindertekening  van een draak aan die op de muur gekrast was.
De derde verdieping was zo mogelijk nog erger. Hier werden nog wat speelgoedjes aangetroffen, en weer een tekening van een draak die in de muur gekrast was. Op deze verdieping was ook duidelijk te zien dat hier ooit een felle brand gewoed moest hebben.
Het was de panda die het luik vond. De halfling rogue kwam er meteen bij staan om te zien of ze het slot open kon krijgen maar het werd al snel duidelijk dat dat niet aan de orde was. Het vuur dat de toren destijds had geteisterd had het slot gesmolten, net als de scharnieren.
Dan maar grof geweld gebruiken. Het uiterst scherpe mes van Lavinia sneed een gat in het tropisch hardhout en daar beneden bleek een korte tunnel te zijn.
Natuurlijk gingen de reisgenoten op onderzoek uit. De tunnel leek echter half af te zijn. Alsof iemand halverwege het bijltje, c.q. de houweel er bij neer had gegooid. De halfling kreeg een raar gevoel in haar hoofd toen ze er naar keek.
De elven sorceress, daarentegen, ontdekte al gauw dat hier een  deur zat, die door magie aan het zicht onttrokken werd. Het was voor haar een klein kunstje om het simpele magische slot te openen.
Achter de deur bevond zich een klein halletje dat uitkwam op drie deuren. Onze panda probeerde de eerste deur met zijn gebruikelijke charme en lichaamsgewicht in te beuken maar hij had een slechte dag. Het zal het water geweest zijn dat in zijn laarzen sijpelde waardoor zijn karate trap niet het gebruikelijk resultaat had. Vochtige omgeving, zo’n vuurtoren.

IMG_8097

De vuurtorenwachter vroeg zich vervolgens af waarom ze de deur niet gewoon met de deurklink openden en stapte onbevreesd naar binnen. Of onbesuisd. In ieder geval werd hij opgewacht door een horde ratten die hem probeerde te bespringen.
De helden wisten deze relatief kleine dreiging voorspoedig op te ruimen en gingen  toen over tot het verkennen van de ruimte in kwestie. Heel even leek het of ze opnieuw in gevecht moesten toen een nieuwe groep ratten hun snuit staken door  een gat in de muur. Maar nadat het gat was dichtgestopt, konden ze rustig zoeken.
Dit was ooit een keuken, annex eetkamer, annex voorraadkamer geweest. De voedselvoorraden waren al lang geleden door de ratten verorberd en de tand des tijds was ook niet vriendelijk geweest voor het meubilair. Of misschien was het de aardbeving geweest. Afgezien van zilver bestek was hier niet veel te vinden.
De volgende kamer was  duidelijk een slaapkamer geweest. Er lagen vijf strooien matrassen,- twee groot en drie klein-, en ook hier had iemand speelgoed achtergelaten en draakjes getekend op de muren. De laatste kamer was wellicht de meest interessante. Dit was een woonkamer geweest met een speelhoek en een bank. In het bureautje vond de halfling een logboek.
Dit was het verslag van een vuurtorenwachter van lang geleden, die leefde in roerige tijden. Het liep tegen het einde van het keizerrijk, zo’n 1700 jaar geleden. De man had een voorziende blik. Hij bedacht dat het niet lang zou duren voordat er een grote invasie zou komen vanuit zee. En om er voor te zorgen dat hij en zijn gezin veilig zouden zijn richtte hij drie kamers in onder de vuurtoren. Weggaan was geen optie. Niet alleen zouden dan ook bevriende schepen met troepen en voorraden niet veilig naar het fort Tuanageta kunnen komen, maar ook was het nog maar de vraag of ze in het binnenland veiliger zouden zijn.
Dus vroeg hij aan een bevriende magier om een aantal spreuken uit te spreken over de beide ingangen van de schuilplaats die ervoor moesten zorgen dat de vijand hen niet zou opmerken.
De invasie kwam. Vanuit een verborgen plek tussen de de rotsen observeerde de man hoe het grootste deel van de orkenvloot afboog richting het fort, dat op een eiland in de rivier monding lag, en een zestal schepen ging voor anker vlak bij de vuurtoren.
Een van die schepen was nogal bijzonder. In tegenstelling tot de rest was dit een schip dat oorspronkelijk van de zee elven was geweest. Het was gestroomlijnder dan de anderen en had de gebruikelijk inktvis motieven op de boeg. De vuurtorenwachter maakte er, zo goed en zo kwaad als hij kon, een tekening van.
Een groot aantal roeiboten verliet het smaldeel en zette koers naar het strand. Daar verlieten de meeste orken en goblins de boten en trokken landinwaarts. Een kleine eenheid hield de wacht bij de roeiboten.
Dagen later kwamen er plotseling orken en goblins uit de opening naast de waterval die naar de necropolis leidt. Deze groenmansen sleepten met moeite een zware kist naar het strand. Ze werden op de voet gevolgd door keizerlijke soldaten.
Dit was de scene die onze helden in het visioen hadden gezien.
Het gevecht op het strand werd gewonnen door de keizerlijke soldaten maar ze waren te laat om te voorkomen dat de kist in een roeiboot werd gezet en naar het zee elven schip werd gebracht.
De soldaten sprongen in de overgebleven roeiboten maar bleken betere vechters dan zeelieden te zijn. Het zee elven schip was al op weg naar de uitgang van de baai. De vuurtorenwachter zag hoe de soldaten een orkenschip enterden dat vervolgens, met enige moeite, over de spiegelgladde zee de achtervolging inzette. Dit was in de tijd van de galeien die weliswaar allemaal een zeil hadden maar die ook door middel van roeiers konden varen.
Even leek het of het spoor voorgoed dood was, maar gelukkig was het logboek nog niet afgelopen.
Een tijd later landde er op een mistige ochtend een gewonde draak op het strandje bij de vuurtoren. Het moet deze draak geweest zijn die de kinderen steeds tekenden. De jonge bronzen draak, genaamd Nemmereth, had een merkwaardig zeegevecht gezien. Een zee elven schip met aan boord orken, werd aangevallen door een orken schip met aan boord soldaten.
De aanwezigheid van de draak ( tja, hoe verberg je een draak ook?), attendeerde de orken op de vuurtorenwachter en zijn familie. Ze staken de vuurtoren in brand en het was duidelijk dat het gezin er niet langer kon blijven. De bronzen draak bood aan hen naar een veilige plek te brengen, maar dan moesten ze wel de meesten van hun bezittingen achterlaten. Zoveel kon ze, met een vleugel die nog steeds niet helemaal genezen was immers niet dragen.
De vuurtorenwachter en zijn vrouw gingen op het voorstel in.
Draken kunnen zeer oud worden, zoals bekend, en het kwam bij de helden op dat deze Nemmereth nog steeds in leven zou kunnen zijn.
Volgens de vuurtorenwachter was dat inderdaad het geval. Dat wil zeggen, als de inmiddels zeer oude bronzen draak die in een onderzeese grot in de baai woonde dezelfde Nemmereth was als in het logboek. De havenmeester van Tuangith kon hen ongetwijfeld meer vertellen over waar zij te vinden was, of anders de schoonzus van de vuurtorenwachter, ene Mathilde van de Pompoenhoeve. Zij woonde in een bos niet ver van hier en vertelde ronduit bij elk bezoek over de grote oude bronzen draak die regelmatig op een strandje bij haar in de buurt lag te zonnebaden.
De mensenschuwe Lavinia wist de rest ervan te overtuigen dat deze Mathilde de beste optie was. Alles beter dan de stad in. Met medeneming van het logboek, zeer tegen de zin van de vuurtorenwachter die het had willen behouden voor het archief, trokken de reisgenoten richting de Pompoenhoeve.

Het Susterwold

De hoeve was makkelijk genoeg te vinden. Na enig oponthoud om een klein vosje te bevrijden uit een konijnenstrik, kwamen ze daar tegen de middag aan. Het was een  idyllisch uitziend boerderijtje met wat bijenkasten, een schuurtje, wat appelbomen en een pompoenveldje met prachtig uitziende pompoenen, ( groeien pompoen in de lente?).  Maar voordat ze ook maar een stap richting de voordeur konden doen vloog er een kruisboogpijl vanuit het zolderrraam richting de helden. De panda kon nog net opzij springen. Het had hier kennelijk net geregend want hij kwam met een plons neer in een plasje water.
“Marieke, wat had ik nou gezegd?”, klonk een vrouwenstem, “Niet meteen schieten!”
De vrouw in kwestie, die zich voorstelde als Mathilde, kwam naar buiten en verontschuldigde zich voor het impulsieve gedrag van haar dochter. Iedereen was een beetje gespannen op dit moment.
Een paar dagen geleden was er een oude vrouw aan de deur geweest die beweerde dat zij de rechtmatige eigenaresse was van de boerderij en het land waar het opstond. Ze had een document om dat te bewijzen. Maar het was een oud, vergeeld document, opgesteld in een taal die Mathilde niet kon lezen. Mathilde zelf had een document in huis waarin stond dat leden van haar familie het land in kwestie eerlijk hadden gekocht van de vorige eigenaar zo’n tweehonderd jaar geleden.
De oude vrouw, die zich Ilona van Schemerwold noemde, was daar niet van onder de indruk. Mathilde en haar familie moesten stante pede vertrekken.
Dat was Mathilde zeker niet van plan, niet in de laatste plaats omdat haar oudste dochter Liesbeth hoogzwanger was en elk moment kon bevallen. Haar familie had alles opgebouwd wat ze hier zagen: de boerderij, de schuur, de bijenkasten. Alles behalve het pompoen veldje, dat was er al.
Ze bood de oude vrouw aan om, als haar man terug was van het afleveren van wat vaten cider en honing aan een nabijgelegen klooster, samen naar de stad te gaan en daar in het archief te kijken wat er nou precies aan de hand was. Ze kon zolang even blijven logeren.
Ilona van Schemerwold was daar niet van gediend.
“Als je dan niet wilt vertrekken dan zul je hier eeuwig blijven!”, riep ze uit. En liep met grote passen het bos in.
Mathilde had toen een bezoek willen brengen aan de Kluizenaar van het bos. Hij wist altijd wel raad. Maar hoewel ze het bos kende op haar duimpje kon ze de Kluizenaar niet vinden. Iedere keer weer keerde ze terug naar de boerderij, welke route ze ook nam.
Haar schoonzoon Reinier ging uiteindelijk hulp halen van buiten. En kwam niet meer terug.
Hadden de reisgenoten hem toevallig gezien? Of een oudere man met paard en wagen?
Onze helden moesten haar teleurstellen. Ze boden aan om in haar plaats op zoek te gaan naar de Kluizenaar van het bos, omdat zij, met de bevalling aanstaande, immers niet weg kon.
Deze Kluizenaar woonde in het noordwesten, vertelde Mathilde, in het hart van het bos.
Moreta vroeg haar nog of ze een grote bronzen draak kende, genaamd Nemmereth. Mathilde antwoordde dat zij hen normaal gesproken rechtstreeks naar haar toe kon brengen.  Het strandje was dichtbij. Als ze het bos uit kon tenminste. Ze bracht haar vaak wat honingraten omdat de oude draak niet meer zo goed kon kauwen.
“Als je wilt, geef ik je wel wat raten mee”, zei ze, “Voor het geval dat je haar tegenkomt.”
Vervolgens bestudeerde Moreta samen met Saruman  het pompoenveldje. Merkwaardig, die pompoenen in de lente. De magie die Moreta er ontdekte was echter heel oud en goedaardig. De magie die rond het bos hing was echter bijzonder kwaadaardig. Er was hier duidelijk iets aan de hand.
Nadat de groep Lavinia ervan had weten te overtuigen dat het doodschieten en opeten van het truffelvarken van de familie misschien niet zo’n goed plan was, gingen ze op pad.
Het werd al snel duidelijk dat hier iets helemaal niet goed zat. Het bos was niet alleen stiller dan het zou moeten zijn, het leek ook wel of de bomen bewogen. Dat wil zeggen: er ontstonden paden waar ze er net nog niet waren, of paden verdwenen als ze er naar keken. Soms leek het of zij stil stonden en de rest bewoog. In elk geval waren zelfs de twee elven en de halfling binnen de korste keren elk gevoel van richting kwijt. Het enige wat hen gaande hield was een merkwaardig half uitgewist spoor. Dat volgden ze dan maar bij gebrek aan beter.

IMG_0478

Na verloop van tijd, ( ook weer zoiets, bleef het nou middag?), kwamen ze aan bij een open plek, waar een oud graf stond voor de overblijfselen van een hutje. Dit hutje was lang geleden afgebrand of zoiets en inmiddels overgroeid.
Elke neiging om grondig archeologisch onderzoek te doen, ten bate van het nageslacht, werd de kop in gedrukt door het feit dat bij nadere bestudering bleek dat het graf niet lang geleden was geschonden. Iemand had het graf geopend en nogal slordig weer dicht gegooid. Terwijl de rest van de groep het graf bestudeerde ontdekte Lavinia dat een nors uitziende wezel hen observeerde.
Natuurwezen dat ze is, probeerde Lavinia te communiceren met het dier. Ze kreeg de indruk dat hier een paar dagen geleden drie mensgrote wezens waren geweest. Zij stonken naar rottend vlees en ongewassen mens en groeven een gat bij de grafsteen. Daarna gingen ze gelukkig weer weg, maar het dier had nog steeds een gevoel van onheil.
Het graf, zo ontdekte de rest van de groep, behoorde toe aan ene Gemma Umbrae. De grafrovers hadden met bruut geweld haar kist opengebroken en wellicht iets meegenomen, maar wat was niet meer te achterhalen. Wat was er zo belangrijk aan het graf van een vrouw gekleed in de simpele zelfgemaakte jurk van een boerin?
Er liep verder geen pad vanaf de open plek met het graf en dus besloten de reisgenoten terug te keren naar een kruising van paden vlak bij. In plaats daarvan kwamen ze al na enkele meters uit bij de boerderij. Merkwaardig.
Moreta vroeg aan de boerin of ze de naam Gemma Umbrae kende. Dat was inderdaad het geval.
Deze naam stond op het koopcontract dat haar familie destijds had afgesloten. Mevrouw Umbrae was toen al oud, volgens de familie verhalen, en ze had bij de koop bedongen dat ze tot haar dood op het land mocht blijven wonen. Ze wilde er ook begraven worden. Daar had de familie natuurlijk mee ingestemd.
Op een avond zag men alarmerend veel rook verschijnen boven het bos, in de richting van het hutje van Gemma. Ongerust geworden renden de familieleden van Mathilde er naar toe. Maar ze waren al te laat. Het hutje was niet meer te redden en de oude vrouw, die nog wel naar buiten had weten te komen, was daar aan haar verwondingen bezweken.
Geheel volgens afspraak werd ze voor haar hutje begraven en op aandringen van de Kluizenaar samen met de diamanten hanger die ze altijd droeg. Niemand ging tegen de Kluizenaar in.

Zo vertelde Mathilde.

Opnieuw ging de groep avonturiers op pad. Er gebeurde hetzelfde als daarnet. Paden die kwamen en verdwenen, open plekken die er daarnet nog niet waren. Wat was noord, wat was zuid? Links, rechts, voor, achter, alles liep door elkaar heen.
“Kan iemand me uitleggen wat hier aan de hand is?”, riep een stem van een open plek die ze misschien wel en misschien niet al eerder hadden bezocht. Ja, dat wilden de helden ook wel weten.
De stem behoorde toe aan een halfling druide genaamd Linde Maanvos. Zij en haar grootmoeder Els bezochten elk jaar het Lentefestival en op weg daar naar toe bezochten  ze dan de Wachter van het bos om hem te vragen of hij nog wat nodig had gezien het feit dat hij niet  meer zo mobiel was.
Dit jaar echter was Linde’s grootmoeder uit een boom gevallen en had haar been op een zeer akelige manier en  op verschillende plaatsen tegelijk gebroken. Grootmoeder Els, die ook druide was, was door de pijn niet in staat haar been te genezen en Linde was simpelweg nog niet goed genoeg. Ze was pas een beginneling. Ze moest maar in haar eentje naar het Lentefestival, vond grootmoeder Els. En vooral ook ophouden met het stellen van domme vragen als:  “Is het nou wel zo’n goed idee om op jouw leeftijd nog in bomen te klimmen?”.
En nu zwierven zij en haar vosje Luna al dagen door het bos en kwamen steeds weer uit bij de boerderij.
Ze was het goed zat.
De reisgenoten legden haar uit wat er aan de hand was en dat ze op zoek waren naar de Kluizenaar  van het bos om raad te vragen. Dat was een goed idee, vond Linde, de Kluizenaar of Wachter zoals zij hem noemde was een van de twee personen die deze vloek konden opheffen. Want dat dit een vloek was, was wel zeker. Degene die de vloek heeft opgelegd zou waarschijnlijk niet bereid zijn om hem weer op te heffen. Dan bleef de Kluizenaar/ Wachter over.
De grote vraag was alleen: hoe vinden we hem?
Het was Linde trouwens opgevallen dat dieren geen last leken te hebben van de vloek. Wist het draakje van Moreta soms meer?
Het draakje werd ineens nogal verlegen van alle aandacht, maar na een koekje,- of twee, hooguit drie, oke vier dan-, wist hij te vertellen dat hij een holletje had ‘achter de waterval achter de regenboog.’,  daar kwam hij vandaan als hij naar Moreta ging en ging hij naartoe als hij moe werd. Hij zou eventueel de anderen wel mee kunnen nemen naar zijn holletje, als ze niet al te claustrofobisch waren, en van daaruit naar een andere plek, maar hij kon alleen daar naar toe waar Moreta was of naar een plek waar hij samen met haar niet al te lang geleden geweest was.
Hij was nooit bij de Kluizenaar geweest en dus kon hij hen daar niet naar toe nemen.
Daarop vroeg Linde of ze soms een pompoen hadden meegenomen van de boerderij. Dat waren bijzondere pompoenen en de Kluizenaar had een bijzondere band met die pompoenen. Dat was niet het geval.
En dus gingen ze met z’n allen naar de boerderij. Dat ging binnen een vloek en en zucht. Ehm..,ja.
Moreta koos een niet  al te grote pompoen uit en daarna ging het hele reisgezelschap dicht, zeer dicht, nog dichter, bij elkaar staan. Rondom het draakje. De bedoeling was om eerst maar eens uit het bos te komen, bij de vuurtoren. Dat was dichtbij.
Er was een regenboogkleurige lichtflits en plots bevond iedereen zich in een,- voor twee mensen, twee halflings, twee elven, een draakje, een reuzekever en een vosje en een reusachtige panda-, goed beschouwd veel te klein hol. Veel en veel te klein. Echt heel erg klein.
Lichaamsdelen van de een staken andere personen in uiterst pijnlijke en ongemakkelijke plaatsen en er was nauwelijks voldoende lucht om adem te halen. Gelukkig duurde het maar even. Nog een lichtflits en daar stonden ze met z’ n allen lucht te happen naast de vuurtoren.
Het draakje hijgde van inspanning maar zijn werk was nog niet gedaan. Nu moest hij met Moreta, en de pompoen, naar de Kluizenaar. Hopelijk werkte de sympathetische magie precies zoals Linde had uitgelegd.
Weer een lichtflits. En daar stonden de elven sorceress en het kleine fairydraakje voor een inmens grote boom. Een boom die een gezicht had en die bedekt was met pompoenen. Twee grote tak- armen zwaaiden zachtjes heen en weer. Was dit de Kluizenaar? Kennelijk wel.

IMG_0481

Nadat Moreta had uitgelegd wat er aan de hand was zweeg de boom een tijdje.
“Hmm,” zei hij, uiteindelijk, “het lijkt erop dat de diamant gestolen is die in het graf van Gemma verborgen lag. Jullie moeten hem terughalen en naar mij brengen. Als er mee geknoeid is dan moet ik het weer rechtzetten. Ik zal  een vriend van mij meesturen die jullie de juiste weg kan wijzen. Hij wacht op jullie bij de rand van het bos. ”
En zo vertrokken Moreta en  het draakje via het hol ‘achter de waterval achter de regenboog’ weer naar de rand van het bos waar hun vrienden op hen stonden te wachten. Het draakje was nu echt heel erg moe. Zelfs een koekje kon hem niet meer opbeuren.
De kleine vriend van de Kluizenaar was een klein wezentje dat nog het meest leek op een konijn met een gewei op z’n kop. Desgevraagd antwoordde hij dat hij een jackalope was. Wat is een jackalope? Nou, hij dus.
Hij was uit z’ n hum, zo vertelde hij. Het hele bos was uit z’n hum. Voelden ze dat dan niet? Hmmmpff! Waren ze dan helemaal ongevoelig voor magie? En nee, zijn oren waren helemaal niet te groot. Ze waren precies goed. Misschien dat als de reisgenoten zelf grotere oren zouden hebben dan zouden ze beter kunnen zien en horen wat ze moesten zien en horen. En waarom stonden die zwartwitte beer en die tovenaar in het grijs in een plasje water?
Het was duidelijk dat de jackalope overal een mening over had. Zo klein als hij was.
De jackalope informeerde de helden dat ze wel langs de groenmansen moesten om bij de indringers te komen. En zo gingen ze opnieuw het duistere bos in.
De schrille schreeuw van een valk deed de reisgenoten omhoog kijken. Was dit vriend of vijand? De druide Linde vertelde hen dat deze vogel was gestuurd door de Kluizenaar om de boel in de gaten te houden. En als ze hulp nodig hadden dan konden ze dat aan hem vragen.
Wat de reisgenoten betreft bewogen de bomen nog steeds maar de jackalope leek te weten waar hij heen moest. Ze waren nog niet ver gekomen toen een goblin langs de kant van het pad een onverwacht  en voor hem fataal geluid maakte. De helden wisten hem zonder veel moeite te overmeesteren maar niet voordat hij op een klein houten fluitje geblazen had. Nu waren zijn kameraden op de hoogte van hun komst.
Het pad liep door een open plek met links en rechts kleine boomhutjes. Er bewoog iets achter de smalle raampjes van de hutjes. Het eerste schot kwam van een goblin die duidelijk nog moest leren wat  een boog nu precies was. Daarna begon het gevecht. De reisgenoten wisten wel een paar treffers te plaatsen maar de goblins waren te goed verborgen. De goblins op hun beurt waren niet al te bedreven in de nobele kunst van het boogschieten.
“Hebben jullie hulp nodig?”, vroeg de valk via de druide.
“Ja, graag!”, was het antwoord.
Niet lang daarna klonk er vanuit het oosten en westen, -of was het noorden en zuiden?- , nou ja, uit twee richtingen tegelijk in ieder geval, een enorm gebrul.
Van links kwam een zwarte beer die zich  met  haar volle gewicht tegen een van de bomen liet vallen. Van rechts een enorme bruine beer die zichtbaar niet blij was, waardoor minstens een goblin zijn boog uit het raam liet vallen. Hij had er toch niet veel meer aan want vervolgens duwde de beer de boom met hut en  goblin en al zonder al teveel moeite omver. Nog even aanstampen en dat was dat.
Ondertussen had Saruman zijn kever opgedragen een goblin aan te vallen. Het beestje werd even afgeleid door smakelijke dennennaalden en zoete boomsappen maar herinnerde zich even later wat hij moest doen en sprong op en neer boven de arme goblin in het hutje. Saruman zelf had wat last van vochtige en jeukende tenen waardoor hij zich niet zo goed kon concentreren en al zijn spreuken mislukten.
Ook de zwarte beer wist uiteindelijk de boom waar ze voor stond om te duwen en de goblin in dat hutje bezweek aan het geweld.

IMG_0497

Toen de laatste goblin was opgeruimd kwamen de beren naar Moreta. Ze bood hen wat besjes aan, maar die negeerden ze. Vooral de bruine beer leek heel erg geinteresseerd in haar rugzak. En de honing die daar inzat.
Beren luisteren meestal niet heel erg goed naar allerlei argumenten waarom hen een lekker hapje zou moeten worden ontzegd. Om de sfeer vriendelijk te houden bood de tovenares hen uiteindelijk dan maar wat honing aan. Maar ja, een stukje honingraat is natuurlijk geen honingraat en twee stukjes honingraat…. En heb je wel eens gezien hoe groot zo’n beer is?
Afijn, ze hield niet heel veel over voor de draak, mochten ze die tegenkomen.
De jackalope stond weer te trappelen om verder te gaan.
Spoedig kwamen ze bij een pad waar een jongeman aan een boom gebonden was. Hij was gekleed in simpele boeren kledij, maar wel van goede stof, en iemand had een stuk van zijn hemd gebruikt om zijn mond te snoeren. Dit bleek de schoonzoon van Mathilde te zijn. Nadat hij was losgemaakt vertelde hij dat hij al dagen op zoek was naar de uitgang van het bos. Toen de nacht viel was hij zo moe dat hij even was gaan zitten waarop hij in slaap was gevallen. Iemand moet hem toen aan de boom hebben vastgebonden na hem hem nog even een klap op zijn hoofd te hebben gegeven.
Hij was dolblij en dankbaar dat hij weer vrij was en vroeg onmiddellijk hoe het met zijn vrouw ging. En was de baby al geboren?
De groep stuurde hem maar naar huis. Elk pad was goed, verzekerden ze hem. Alle wegen leidden naar de boerderij. Hij vertrok als een pijl uit een boog.
En verder ging het.
“Stop!”, riep de jackalope ineens. “Zie je dat gat  in de grond? Daar woont onze reuze duizendpoot. Normaal gesproken is het al een ongemakkelijk beest maar nu is hij helemaal geirriteerd.”

IMG_0484

Zachtjes slopen de reisgenoten om het gat heen. Behalve de panda Grasshopper. Normaal gesproken is hij al niet heel erg, hoe zullen we het zeggen, subtiel. Maar nu slaagde hij erin door de bonkende stappen van zijn doorweekte laarzen  de dennenappels uit de bomen te schudden en het duurde dan ook niet lang voordat een boze duizend poot van, pak em beet, vijf keer de lengte van de langste van het reisgezelschap uit het gat kwam geschoten.
Lavinia probeerde het beest nog te kalmeren maar dat hielp niet veel. Alleen de jackalope had enige invloed op hem, of hoe is het anders te verklaren dat het meters lange beest met de venijnige kaken hen niet aanviel?
Nu leidde het langorige wezen hen langs een lang pad.
“Het is niet ver meer, ” fluisterde hij.
Plotseling hoorden ze het geluid van rennende voeten. Het was zo’ n moment waarop je je afvraagt of je wel wakker bent. De helden wreven hun ogen uit, knepen zich nog eens in de arm en keken nog een keer, en ja, ze zagen nog steeds hetzelfde.
Het was een kookpot op pootjes die met grote snelheid over het pad rende. Hij had blijkbaar geen zin om boven een vuurtje te hangen, wat op zich begrijpelijk was, maar de meeste kookpotten lopen niet en denken vooral ook niet na.

IMG_0490_edited-1

De kookpot werd op de voet gevolgd door een drietal vloekende  mannen, die het ding weer wilden vangen.
Wie de eerste pijl schoot is niet duidelijk, maar de mannen raakten in gevecht met de reisgenoten en ook hier bleek dat onze hertshoornkever een bijzonder bloeddorstig beestje was. Volgens mij zijn het toch planteneters.  Merkwaardig.
De kookpot dreigde uit het zicht te raken dus vroegen de helden aan de valk of hij nog hulp kon oproepen. Deze keer stormde een aantal wilde zwijnen uit de bosjes. De eerste ramde de kookpot zodat hij omviel en de inhoud, een stinkende groene smurrie, over het pad golfde. Het tweede zwijn ging op de poten van de kookpot zitten en hield hem dus stevig op z’ n plek. De biggetjes roken eens aan de groene smurrie en besloten dat het niet eetbaar was.
Tegen die tijd was het gevecht beslist. De drie mannen bleken een brief bij zich te hebben van hun leider, ene M. , die ernstig teleurgesteld was in zijn ondergeschikten. Als ze niet wat beter hun best deden om de juiste ingredienten te vinden zou het grote ritueel alweer een volle maand uitgesteld moeten worden.
Tja, het is kennelijk moeilijk om goede hulp te vinden.
De kookpot was volgens Moreta slechts tijdelijk betoverd en zou spoedig weer een gewone kookpot zijn. Ondertussen stond de jackalope alweer te springen om verder te gaan. Dat kon hij trouwens goed. Dus, nadat de groep nodig even wat dingen had geregeld ten bate van de kleine kas, ging het weer verder.

Ze kwamen op een open plek waar een vuurtje brandde. De kookpot wilde eigenlijk niet in de buurt komen en werd dus even vastgebonden aan een boom.

“Oehoe!”, klonk het van boven hun hoofd. “Oehoe,” antwoordde een tweede stem. Naar bleek hadden de reisgenoten de kookpot vastgebonden aan een dryade, die twee grote uilen op haar takken droeg. Onzeker wat ze van haar moesten verwachten, deinsten de reisgenoten naar achteren. Maar deze dryade was vredelievend en fluisterde, (of waren dat haar takken?), dat de slechte vrouwen in de buurt waren. Ze kon hen niet veel helpen omdat de vrouwen vuur hadden en de uilen bovendien een nest in haar takken hadden gemaakt en ze de eieren niet wilde verstoren. Maar ze kon wel het pad open naar de plek waar de kwaadaardige dames zich bevonden.
De halfling rogue pakte alvast haar boog en een giftige pijl.
Maar de vrouwen moeten wat gemerkt hebben want op het moment dat het pad zich opende klonk een stem die een magische spreuk uitsprak.
Er stonden aan het andere einde van het pad drie vrouwen in donkere en ongewassen kledij. Het was de middelste die met haar handen hoog boven haar hoofd een sluier van schaduwen om zich heen toverde. De schaduwen zweefden hinderlijk heen en weer en maakten het zo goed als onmogelijk om met fatsoen te richten. Een effectieve verdediging.
Desondanks bonden de helden de strijd aan. Dichterbij komen was het devies. In handgemeen konden ze de drie vrouwen vast wel aan.
Zo makkelijk was het helaas niet. De vrouwen konden akelig goed  stenen gooien, -ze hadden immers zelf geen last van de schaduwen-,  en een tweede spreuk van de vrouwspersoon in het midden riep een vijftal spinnen op die de reisgenoten aanvielen.
De panda monnik nam een aanloop om met zijn gebruikelijke taktiek een spin te verpletteren onder zijn gewicht. De natte bosbodem onder zijn laarzen liet hem echter uitglijden en hij viel naast de spin op een onprettige manier op zijn stuitje.
Gandalf de kever deed wat een kever familiar kennelijk doet en maakte meer schade dan zijn ietwat ongemakkelijk lopende meester. Moreta werd gebeten door een spin en voelde zich daarna niet meer zo lekker net als Grasshopper die een wraakzuchtige spin aan zijn been had hangen.
Dan chargeerde de halfling rogue de dichtstbijzijnde heks, die echter verbazend wekkend taai bleek te zijn. Lavinia kreeg flinke klappen en ook de panda was er slecht aan toe.
Gelukkig was daar de druide, die weliswaar aan het gevecht zelf niet veel kon bijdragen, maar wel geneeskrachtige besjes had en wat kennis van geneeskunde. Bovendien kon ze aan de valk, die nog steeds boven hen hing, duidelijk maken dat ze dringend hulp nodig hadden.
Dit keer stormde een hert met magnifiek gewei uit de bosjes. Hij deed zijn kop naar beneden en en ramde zijn gewei in de maag van een van de heksen. Daar had ze niet van terug. Zeker niet nadat hij voor de goede orde nog een keer flink uithaalde met zijn achterpoten. Au! Dat deed zeer.
Daarna was het gevecht gauw afgelopen. Er restten nog wat administratieve handelingen ten bate van de collectieve geldpot en het doorzoeken van de middelste heks leverde een zwarte diamant op. Een fors formaat.
Deze diamant konden ze echter niet houden. De Kluizenaar van het bos, door de reisgenoten inmiddels Jack genoemd,  had hem nodig om de vloek op te heffen.
De jackalope bracht hen via een kronkelig pad naar de Kluizenaar die zijn wenkbrauwen fronste bij het zien van de diamant. Die hoorde niet zwart te zijn volgens hem. Hij nam de diamant in een van zijn reusachtige handen en concentreerde zich.
Het was alsof de grond onder hun voeten begon te zoemen, de lucht trilde en er ging een rilling door hun botten. Langzaam trok het zwart weg uit de diamant en werd hij weer helder.
De Kluizenaar opende zijn ogen en verklaarde dat het bos weer normaal was. Hij zou de diamant voorlopig houden om er een nieuwe betere schuilplaats voor te zoeken.
Linde en haar vosje bleven achter bij de oude boom terwijl de rest op pad ging naar de boerderij om het goede nieuws te vertellen.
Daar klonk al vanaf een flink afstand het luide gehuil van een baby. Een meisje, zo vertelde Mathilde, kerngezond en met de moeder ging het ook goed. Ze noemde haar Morvinia. Morvinia Grasshopper Samarila. Als dank gaf de boerin hen een aantal truffels mee die het varken had gevonden. Truffels kunnen veel waard zijn, vooral als ze van goede kwaliteit zijn. Ook kreeg Moreta wat extra honingraten mee.
Ze stuurde haar jongste dochter, -met kruisboog, dat wel-, met de groep mee om hen de weg te wijzen naar de oude draak waar het allemaal om begonnen was.

De oude draak

Lang voordat ze bij het strandje waren voelden ze de grond onder hun voeten trillen. Een enorm geronk klonk uit de verte.
“Je moet wel in haar rechteroor praten,” schreeuwde de boerendochter, “ze is links nogal doof.”
En daar lag ze dan, een gigantische grote bronzen draak. Haar schubben waren diep donker brons, er waren littekens op haar snuit en haar poten en het puntje van haar staart miste. Niettegenstaande dit alles nog steeds een draak van formaat.

IMG_0499

Moreta vroeg haar draakje om de oude draak te wekken. Met bijzonder weinig angst voor een beest dat vele duizenden malen groter was dan hij vloog hij omhoog naar haar oor en schreeuwde in het draconisch zo hard als hij kon dat ze wakker moest  worden.
Nemmereth, de oude draak, deed langzaam haar ogen open en gaapte. Haar bek was zo groot dat    de panda voor de zekerheid nog maar even riep dat ze geen snelle snack waren maar dat ze iets kwamen vragen.
De draak keek hen minzaam aan.
“Ik heb liever vis,” zei ze.
“Oh,” zei Moreta de sorceress enigszins bedremmeld, “ik heb geen vis voor U, alleen honing.”
“Dat is nog beter,” zei de draak en nam de aangeboden honing raten behoedzaam in haar mond. Haar ogen sloten zich half van genot.
Moreta legde uit waarom ze gekomen waren en liet de tekening zien van het elvenschip.
“Ja, dat weet ik nog goed, ” zei Nemmereth, ” ik was nog jong. Er werd gevraagd om mee te helpen met het beeindigen van een belegering.  Zo ja, dan moest ik op een bepaalde tijd op een bepaalde plaats zijn.
Ik vertrok later dan gepland en raakte in een grote storm terecht. Het was niet verantwoord om door te vliegen. Dus landde ik op een klein eiland. Daar waren zalige wilde varkens maar er was  ook een riviertje dat tjokvol zat met zalm. Heerlijke vette zalm. Beter kun je niet hebben. Goed om rauw te eten, lekker sappig, maar ook gebakken met een sausje. Om je poten bij op te eten. Heb je dat wel eens geproefd? Verse, sappige zalm? Echt zalig, daar kan ik echt van geniet-. ”
“Mevrouw Nemmereth,” onderbrak  Lavinia haar , “hoe zat het nou met dat schip!”
“Mmm? Wat? Eh, oh ja. Waar was ik? Nou ja, de volgende ochtend stormde het nog steeds en pas ergens in de middag was het mogelijk om weer te vliegen.
Ik moest nu een keuze maken. Als ik mijn geplande route zou volgen dan zou ik nooit meer op tijd komen. Ik moest dus een kortere weg nemen. Maar die liep dwars door het territorium van Endorath, de rode draak. Endorath was groter en sterker dan ik en hield er niet van als er indringers door zijn gebied vlogen. Ik was waarschijnlijk sneller en behendiger dan hij, althans dat hoopte ik. Maar het was nog steeds een groot risico.
En toen zag ik beneden mij een merkwaardig tafereel. Een zee elven schip, zonder elven maar met orken, was in gevecht met een orkenschip, zonder orken maar met soldaten. Wist je dat zee elven een fascinatie hebben met inktvissen? Ik weet een plekje waar je  heerlijke inktvissen kunt vangen. Wel even roosteren, natuurlijk, maar watertandend lekker. Je kunt ze zo eten, of met een sausje. Ik ken een visser die heerlijke sausjes maakt.  Niet alle delen van de inktvis zijn even lekker natuurlijk, maar de tentakels zijn,- ”
“Mevrouw Nemmereth!”, brulde de halfling rogue. Altijd beleefd blijven tegen een draak. “Hoe gaat het nou verder? Met het zee elven schip.”
“Wat? Mmm? Oh ja. Het zee elven schip werd geraakt door een pijl uit de grote katapult van het orkenschip en moest koers zetten naar het nabijgelegen eiland, dat ligt trouwens niet ver van een plek waar je fantastische tonijn kunt vangen. Lekker groot. Niet van die eenhaps vissen. Zalig rauw, of met een sausje.”
“Wie maakt eigenlijk die sausjes voor U”, vroeg de elven sorceress, tegen wil en dank gefascineerd door de culinaire kant van het verhaal van de oude bronzen draak. Het zal haar drakenbloed zijn.
“Oh, dat is een visser die ik ken. Merkwaardige visser trouwens, ik ken hem al minstens duizend jaar. Maar wel vriendelijk. En hij maakt verrukkelijke sausjes.”
“Mevrouw Nemmereth!”, schreeuwde Lavinia, “Het schip. Hoe ging het met het schip.”
“Oh eh. Beide schepen liepen op het strand van dat eiland en ik was nog aan het overwegen of ik hulp moest bieden toen de rode draak mij aanviel. Ik moest vluchten, maar ik was al bijna te laat. Hij verwondde mijn vleugel en mijn poot. Desondanks slaagde ik er in om aan hem te ontkomen en uiteindelijk landde ik doodvermoeid bij de vuurtoren. Ze kenden me daar. Ik was er een paar honderd jaar eerder ook al geweest. En dat is alles wat ik weet over deze zaak.”
Op verzoek van de helden tekende de oude draak de vorm van het eiland in het zand. Ze vertelde hen dat het ergens in het noorden lag, in het koninkrijk van de Duizend Eilanden. Ongeveer ter hoogte van het Moeras van de Drie Rivieren. Ze meldde nog dat naar verluidt op dit moment de dochter van de draak Endorath in dat gebied woonde.
De helden bedankten de oude draak die net weer op het punt stond om in slaap te sukkelen, toen Lavinia nog een persoonlijke vraag stelde over het bijzondere mes dat ze al haar hele leven had. Was het inderdaad gemaakt door de Drakensmeden? En waar bevonden die zich dan?
Nemmereth bevestigde het eerste en voegde toe dat haar neef Zirath dat soort werk deed. Het was nog een jonkie, nog geen achthonderd jaar. Hij woonde in de Goudbergen, in het graafschap Myres. De bergen waarvan men zegt:  ‘Boven draken, beneden dwergen.’
“Maar ze hebben het nooit over de forel in de meren, ” mompelde de oude oude draak, “Zalige forel. Met een sausje.”
En met die woorden viel ze weer in slaap in het licht van de ondergaande zon.
Onze reisgenoten togen maar weer op huis aan. Want ja, zo kun je de herberg inmiddels noemen.

Wordt vervolgd.

Kom een keer spelen

Elke zaterdag van 10 tot 17 uur in Delft, en op woensdag- en donderdagavond. Je bent welkom om te kijken of mee te doen.