, ,

D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas (3): Dead Man’s Boots”

·

IMG_7339

27 februari 4476

De reisgenoten zaten in de vertrouwde gelagkamer aan een smakelijke maaltijd. ( Hertenbout en verse groente). Op dat moment kwam er een gezette man binnen, voorafgegaan door een wat nors kijkende elf. De nieuwkomer werd hartelijk begroet door de herbergier.

“Wilhelm! Goed dat je er bent. Nog problemen gehad onderweg?”

“Niets, bijzonders, ” antwoordde de man, ” Wat gedoe met goblins. Het lijken er meer te zijn dan vorig jaar. Maar niets dat mijn trouwe bodyguards niet aankunnen.”

IMG_7338

Felicia, de dochter van de herbergier, zette net wat bier neer op de tafel van de avonturiers. Ze vertrouwde hen toe dat dit Wilhelm van Wolfrijk was, een handelaar uit het zuiden.

“Oh,” zei ze, ” Ik hoop toch zo dat hij die mooie blauwe lintjes bij zich heeft!”

De groep nam de gelegenheid te baat om wat in en verkopen te doen. Ook was dit de gelegenheid bij uitstek om wat informatie in te winnen over bepaalde voorwerpen die ze hadden verzameld. Of geerfd.

Zo kwamen ze te weten dat de zilveren ring met Lorenzo d. T. erin gegraveerd een vervalsing moest zijn. Een echte magiersring is namelijk niet van zilver maar van een speciaal materiaal dat alleen door de Drakenmagiers uit het noorden gemaakt kan worden. Deze Drakenmagiers waren ook degenen die het mes van de halfling  Lavinia hadden gemaakt. Een speciaal mes, dat zeer scherp is en nooit geslepen hoeft te worden.

De inktvis op de zeilsteen van de elf Amaril wees erop dat deze door de zee elven was gemaakt. Want de zee elven gebruikten vaak inktvissen in hun kunst. En verder bleek het afgebroken stuk bot van de priester Guldan waarschijnlijk de hoorn van een zeedraak. Op de achterkant hiervan stond overigens ook weer een inktvis.

De koopman vertelde ook nog over een veiling die hij had meegemaakt in het zuiden van het land. Een adellijke familie, de di Talmeda’s, was aan lager wal geraakt en moest een deel van hun inboedel verkopen. Om een of andere reden boden Magister Alvades van de Citadel van Deonzei (het buurland ten zuiden) en Professor Montverdes van het Instituut, (ook uit Deonzei) fanatiek tegen elkaar op voor een onooglijk klein boekje, dat geschreven leek te zijn door iemand met een zeer slecht handschrift in een onbekende taal. De bedragen liepen op tot in de tienduizenden ducaten. Toch won geen van beiden het boekje.

De sorceress Moreta had intussen afgesproken met Margaretha dat zij de alchemistische apparatuur mocht hebben. De oude vrouw had uitgelegd dat zij alleen drankjes kon maken met de juiste ingredienten. En sommige ingredienten waren duur en moeilijk te verkrijgen. Daarom deed zij het voorstel dat de avonturiers ingredienten zouden verzamelen in speciale potjes en dan zou zij daarvan voor hen drankjes maken. Een deel van die drankjes kon ze dan weer verkopen aan anderen. Ze moest per slot van rekening ook leven.

De wizard Saruman schraapte op alle mogelijke manieren geld bij elkaar om daarvan een familiar te kunnen oproepen.

De volgende dag werd door hem geheel besteed aan deze activiteit. Het resultaat? Een reuze Hertshoornkever. Familiars leveren hun baasje allerlei voordelen op. Maar het is wel zaak ze niet te verliezen. Saruman besloot zijn kever Gandalf te noemen. Geen idee waarom.

 1 maart 4476

De volgende dag toog de groep nog maar weer eens naar de oude tempel. Minus Moreta. Zij hielp de oude vrouw met het maken van drankjes, in de hoop er nog wat van te leren. En haar draakje hielp de kokkin in de keuken van haar koekjes af. Ehmm..

Na een tijdje gelopen te hebben begon het te regenen. Wat heet, het goot. Pijpestelen. Maar dan van Reuzen. Het kwam met bakken uit de hemel. Zo’ n bui, waarbij je binnen de korste keren tot aan je ondergoed doorweekt bent. Het zicht beperkte zich tot armlengte.

Plotseling hoorden ze een stem vanaf de zijkant van de Oude Weg.

“Puik visweertje, niet!” Er stond een slanke gedaante onder een afdakje dat er de vorige twee keren niet was geweest. “Kom anders even schuilen. Het is maar een lente buitje, gaat zo wel weer over.”

Vier van de vijf reisgenoten namen het aanbod maar al te graag aan. De vijfde, onze schuwe halfling Lavinia, zocht haar eigen schuilplaats. Onder het afdakje brandde een aangenaam warm kampvuurtje. Daarbovenop stond een rooster met vijf vissen die lagen te bakken. Het rook watertandend lekker. In een koekepan lagen bovendien wat koekjes te bakken.

“Neem een vis, ” sprak de man, die eruit zag als een visser. “Of een smakelijk zeewierkoekje.”

Het was moeilijk na te gaan hoe oud de man eigenlijk was. Het kon een jong iemand zijn die zijn hele leven in de buitenlucht had verkeerd, of een ouder persoon die  er gewoon nog goed uitzag.

Het was al helemaal onmogelijk om na te gaan van wat voor ras hij was. Was het een elf, een mens, een dwerg of halfling? Geen idee. Het enige wat duidelijk was, waren zijn intens blauwe ogen. Ogen die die dwars door de leden van de groep heen schenen te kijken.

“U bent een visser?” vroeg de priester, “Mag ik vragen wat Uw naam is?”

“Ach, mijn naam doet niet ter zake, ” antwoordde de man, en hij richtte zijn blik op de zeilsteenhanger van Amaril, de elven krijger.  “Dat is een interessante hanger,” zei hij, “Gemaakt door de zee elven. Je kent het verhaal daarachter? Ooit was een elven prinses van het Kleine Continent het zat dat haar volk zich zo isoleerde en trok met een aantal volgelingen naar de Duizend Eilanden. Daar stichtte ze een nieuw rijk. Het bestaat niet meer inmiddels, zo gaat dat: rijken komen en rijken gaan. Maar men zegt dat zo’ n hanger als jij hebt altijd de weg naar huis wijst.”

“Ik dacht dat hij altijd naar het noorden wees, ” zei Amaril.

“Als je hem op het water legt, wel. Maar als je hem gebruikt als pendel…”

” Bent U hier goed bekend?”, vroeg Guldan.

“Langs de rivier zeker, en de kust ken ik ook goed,”  antwoordde de blauwogige vreemdeling.

“Kunt U ons nog iets belangrijks vertellen over dit gebied?”

Niet veel wat jullie niet al weten, hoewel ik me grote zorgen maak over de Oude Tempel. Het is daar al lange tijd niet pluis, maar de laatste weken….”

“Hij zuchtte en keek in de verte. ” Ik moet gaan, de vissen bijten.”

Hij keek de priester doordringend aan, ” De dienaar van de Zeebroeder doet er goed aan om te onthouden dat zijn spreuken beter gaan als hij met zijn voeten in stromend water staat.”

De Zeebroeder is een andere naam voor de Vierde Zoon van de Grote God, ook wel Vierde Broeder genoemd, de uitvinder van visserij en scheepvaart. En Guldan is priester van deze Mindere God.

De visser pakte zijn emmer, sloeg zijn hengel over zijn schouder en zei nogmaals, ” Neem een vis, of een koekje. Ik krijg ze toch niet allemaal op. En de rivier zit vol met vis. Als je voor vanavond opeet zijn ze nog goed.”

Hij stapte de regen in. Die hem overigens niet leek te raken. De regendruppels vielen langs hem heen. “Doe de groeten aan mijn stiefzoon als je hem ziet, hij is ergens hier in de buurt.”

“Hoe heet hij dan?”, vroeg Guldan.

“Fenissei!”, klonk het vanuit de regen. “Oh, en gooi wat zand over het vuurtje wanneer je weggaat, het bos is dan wel doorweekt maar je kunt maar beter voorzichtig zijn.”

Kort na deze merkwaardige ontmoeting hield het op met regenen. De reisgenoten waren wat wantrouwig en namen slechts een gering aantal vissen en koekjes mee. Lavinia vertrouwde het sowieso niet.

Eenmaal in het verlaten dorp aangekomen liepen ze rechtstreeks naar de begraafplaats en de geheime gang naar de grot met de merkwaardige blauwe cirkel. Lavinia, met haar donkerblauwe brilletje dat ze bij de dode gnoom gevonden had, had geen lantaarn meer nodig. Ze zag nu net zo goed in het donker als bij daglicht.

Er stonden nog steeds een groot aantal figuren daar beneden. Skeletten, goblins en spinnen. Er hingen ijspegels aan hun kleren en ledematen. IJspegels waarvan langzaam kleine druppels water vielen. Stonden er nu trouwens meer goblins dan de vorige keer?

De spiraal vormige gang liep geleidelijk aan naar beneden. Tussen de stalagtieten en stalagmieten viel nu ook te zien dat er op de wanden muurschilderingen stonden. En er liepen karresporen naar beneden en naar een gang aan de overkant.

Men besloot de muurschilderingen te bestuderen. Op de eerste afbeelding stond een veldslag, met aan de ene kant mensen, elven, halflings en dwergen, maar ook draken. En aan de andere kant orken, goblins en andere vreselijke monsters. Prominent in beeld stond een grote spin, gemaakt van beenderen. Hij had acht rode ogen en een achterlijf dat van een geel doorzichtig materiaal was gemaakt. Daar zat een skelet in. Maar het was niet goed te zien waarvan.

Een ding was zeker, dit was nooit een levende spin geweest, ook geen ondode trouwens. En die orken naast hem kwamen niet eens boven hem uit.

Voor ze naar de volgende afbeelding konden stuitten de avonturiers op een klein wezen. Het was zo groot als een halfling, maar geheel en al gehuld in lappen en doeken. Alleen zijn ogen waren nog zichtbaar.

“Ssssttt!”, siste het wezen. ” Straks komt het terug!”

“Wat komt terug?”, vroeg de priester.

“De spin!” , fluisterde het wezen, “Oh, het was vreselijk! Zie je die drie goblins in het paars?”

De priesterde knikte.

“Die hebben me hierheen gebracht, maar toen we hier waren kwam er een grote witte spin uit die gang. En die greep hen een voor een. Hij was heel snel. En de goblins traag. Door de kou, denk ik. En bij elke goblin stak hij links en rechts een van zijn kaken in het hoofd, en zoog ze leeg! Ik kon net op tijd wegrennen en me hier verschuilen.”

Hij hief zijn handen op naar de reisgenoten. ” Kunnen jullie mij losmaken? De goblins hebben mij heel stevig vastgebonden. En bovendien denk ik dat ik vastgevroren zit aan de muur.”

Dat deden de avonturiers. En desgevraagd vertelde hij dat zijn naam Freddie was. Voor zover hij wist dan. Er zat een gat in zijn geheugen. Zijn hobby was het verzamelen van landkaarten. Die kon hij zo uit zijn hoofd natekenen. Hij verkocht die kaarten dan aan Meester Melkor, in Tuangith. Dat gaf niet want hij kon die kaarten toch weer uit zijn hoofd reproduceren.

 Laatst had hij een mooie kaart gekopieerd. En de goblins waren daarachter gekomen. Het was een kaart van dit gebied, met een kruis op de plek van de Tempel. Daarop stond geschreven, in een taal die Freddie niet kon lezen maar wel voor hen kon natekenen. ” Hier ligt de Grote  (onleesbaar).”

De reisgenoten wezen Freddie de snelste weg naar buiten en hij verzekerde hen er nog eens van dat ze vooral bij de winkel van Meester Melkor langs moesten gaan. Die lag aan het grootste plein in de stad. Meester Melkor zou hen dan belonen voor het redden van Freddie.

De groep ging voorzichtigheidshalve eerst langs de andere kant van de zaal om de muurschilderingen te bekijken.

Zo belandden ze bij de laatste in de reeks. Op deze schildering was te zien hoe vijf magiers, of priesters, dat was niet goed te zien een blauwe cirkel toverden rondom de beenderspin, die plat op de grond lag en waar nog slechts kleine rode puntjes te zien waren in zijn ogen. Op de op een na laatste schildering waren wezens bezig ketenen van een zwart materiaal te bevestigen aan de spin.

IMG_7465

Inderdaad waren er resten van een merkwaardig donker materiaal te zien binnen in de cirkel die zoals bekend aan een kant verbroken was. Lavinia kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en probeerde een stukje meenemen. Dat ene kleine stukje was waarschijnlijk net zo zwaar als zijzelf!

De vijf stukjes barnsteen die er ook lagen waren een stuk lichter, gelukkig. Uit de andere afbeeldingen bleek dat de spin tijdens de veldslag weliswaar verslagen was maar niet gedood kon worden. Dus werd hij omhoog getoverd naar een opening in een klif en vervoerd op een groot vlot door de duisternis, waar hij dan geketend en wel in een magische cirkel gevangen werd gehouden.

De spin was weg. Ontsnapt! De party zonk de moed in de schoenen bij de gedachten om hem tegen te komen.

Op dat moment hoorden ze een geluid uit de gang. Was het de spin?

Nee. Een in zwart gehulde gedaante liep moeizaam naar de ingang van de gang. Hij sleepte met zijn rechterbeen, en zijn rechterarm hing op onnatuurlijke wijze langs zijn lichaam. Terwijl iedereen zich voorbereidde op een gevecht keek de gedaante naar de hoek waar Freddie gelegen had en draaide zich daarna weer om.

Lavinia volgde hem. De gedaante stopte voor een deur die duidelijk magisch moest zijn. Hij gaf immers licht! De deur opende zich, de gedaante stapte er doorheen en verdween.

De halfling rogue deed haar best om zich te herinneren hoe je zo’n deur ook weer opent. Het lukte!

Heel kort kreeg ze wel heel vreemde gedachten. Ze had altijd een paar wolven pups willen hebben om op te voeden en als kameraad te dienen. Nu dacht ze even, heel even, dat een stel knuffelige monsterspinnen eigenlijk ook wel leuk waren.

De kamer daarachter bleek voor een deel gevuld met glinsterende voorwerpen. Een kistje met goud en wat oorbellen. Maar er liep ook een beenderspin in het rond.

Een kleine spin, dat wel. En als ik zeg dat hij in het rond liep bedoel ik dat hij rondjes liep. De spin had hoegenaamd geen interesse in de avonturiers. Zelfs niet toen de panda monnik bovenop hem ging zitten. De spin bleef gewoon rondjes draaien, met panda en al. Een paar flinke tikken en het was over.

De volgende deur, bleek akelig goed beveiligd. Gif! Au! Gelukkig hadden ze bij de handelaar drankjes gekocht. Achter de deur was een enorm grote grot.

De karresporen liepen door tot ongeveer de helft en na een plek met wel heel veel voetsporen liep hij door tot wat de rand bleek te zijn van een groot ondergronds meer.

Dit meer was aan de kant van de avonturiers voor de helft bevroren. De andere helft was inmiddels gesmolten. Aan de rechterkant aan de overkant was een gang te zien. Voor Lavinia en de kever dan. De rest kon zover niet kijken in het donker.

Op de grens tussen strand en meer waren wat resten van bootjes. Tekenen dat dit meer niet altijd bevroren moest zijn geweest. Wat nu? Naar de overkant? Maar hoe?

Langzaam begon het water te borrelen. Een gigantische gedaante vormde zich uit de golven. Een gedaante die leek te bestaan uit water.

Een diepe stem klonk borrelend uit de gestalte.

“En wat doen jullie hier, landwezens, als ik vragen mag? En dat mag ik.”

“Wij volgen een zwarte gedaante, ” antwoordde de priester. ” En wie bent U?”

“Ik? Ik ben de Fenissei! De rivier! Mijn wateren stromen van de bergen in het oosten, slingeren zich door hele het land en komen uit in de Grote Baai in het westen. Met wat zijtakken. Omdat het kan.”

“Fenissei? Oh! U moeten de groeten hebben van Uw stiefvader, ” sprak de priester, “Maar wat is er gebeurd met die zwarte gestalte?”

” Oh, dat is aardig, ” zei de Fenissei. Kunnen water elementalen glimlachen? Het leek er wel op.

” Maar die zwarte gedaante heb ik doorgespoeld. Net als die spin. Ze vervuilden mijn wateren!”

De priester vroeg of zij die twee op dezelfde manier konden volgen, maar de Riviergeest antwoordde dat landwezens zoals zij lucht nodig hadden en dat was er niet in die specifieke onderwater tunnel. De andere tunnel aan de overkant konden ze wel gebruiken. Dan moesten ze wel door de Necropolis.

Aangezien er aan deze kant geen intact bootje was bood de Fenissei aan om een ander bootje te gaan halen.

Na verloop van tijd kwam er een wit bootje in de vorm van een zwaan, of toch anders een gemankeerde eend naar hen toe varen. Zonder roeispanen of wat dan ook. Het bootje was geschikt voor twaalf personen. Dus werd de panda verteld dat hij in het midden moest zitten en zich vooral niet moest bewegen, waarna er net aan ruimte was voor de overige vier passagiers.

Het bootje bewoog zich moeiteloos over het ijskoude meer en legde aan bij een kade.

Daar stapten de reisgenoten uit. (Eerst alle anderen, en daarna pas de panda!)

Hier liep het water van het meer naar beneden langs een glibberige trap die voor een deel afgebrokkeld was. Naar beneden gaan was het punt niet. Weer naar boven zou wel eens onmogelijk kunnen zijn.

De priester verzocht de Riviergeest om even op te houden met stromen, hetgeen met onbegrip werd ontvangen. Ophouden met stromen? Hoe dan? Harder of zachter stromen, prima. Maar ophouden? De Fenissei vertelde hen dat ze via de waterval aan de andere kant er weer uit konden.

IMG_7364

Dus gingen ze maar naar beneden. In de necropolis stond ongeveer 30 cm. water. De stroming was dusdanig dat de halfling zich met een touw vastbond aan Grasshopper de Panda. Het moest nog een heel stuk harder stromen wilde hij er last van hebben.

De eerste tombe die ze tegenkwamen was het massagraf van slachtoffers van een grote epidemie. Zo stond tenminste te lezen op de muur naast de tombe. Onder deze inscriptie had iemand op een later tijdstip grafitti aangebracht. Het was het sarcastische commentaar van ene  P.A.L. De reisgenoten herkenden het handschrift van de oude gnoom, wiens lijk ze hadden gevonden.

De groep was begrijpelijkerwijs wat huiverig om hier uitgebreid te gaan snuffelen. Maar de panda vernietigde nog maar eens een deur en de groep ging naar binnen. Er stonden talloze aardewerk vazen en metalen urnen die ze ongeopend lieten.

De volgende tombe was die van Arvolo de Reus, negenvoudig worstelkampioen. Ook hier had de gnoom commentaar onder geschreven. “Toch typisch dat hij vlak voor zijn tiende kampioenschap een fatale indigestie kreeg.”

Boven de deur zaten vijf gaten. Waaruit vijf pijltjes vlogen toen de groep dichterbij kwam. Als de priester bovenop zijn hoofd haar had gehad had hij een extra scheiding gehad. Nu was het een lelijke kras op zijn hoofd. Grasshopper sprong behendig opzij. Alle anderen waren niet lang genoeg om er last van te hebben.

Eenmaal binnen was het eerste wat ze zagen een stel laarzen op een platvorm.

Dan klonk er een stem: “Wie daagt mij uit?”

Een spookachtige gedaante van een halfork vormde zich in de kamer. Opnieuw klonk het: “Wie daagt mij uit?”

Niemand maakte aanstalten om iets te doen.

” Kom nu, je wilt een oud spook toch niet de gelegenheid ontnemen om nog een keer zijn kunnen te bewijzen?”

De panda bezweek. “Als ik dat doe, wat zijn dan de voorwaarden?”

“De eerste die de ander met zijn rug op de vloer weet te krijgen, wint.”

“Met of zonder wapens,” vroeg de panda monnik. “Zonder.”

“En wat krijgt de winnaar?”

 ” Mijn kampioensgordel.”

” De verliezer?”

” Gaat met lege handen naar huis.”

“Goed dan,” zei Grasshopper en boog voor de oude worstelaar, ” Maar hoe ga ik vechten met een geest?”

De geest liep naar de laarzen en stapte erin. Ineens werd hij, nou ja, niet precies levend, maar wel stoffelijk. Hij liep naar de panda toe en boog. Het gevecht begon.

De geest van Arvolo was meesterlijk, maar de Panda monnik wist hem goed te weerstaan.

Net toen een onstoffelijke stem begon af te tellen, kreeg Grasshopper de geest op zijn rug. Het was een spannend gevecht, maar er was een duidelijke winnaar.

De panda weigerde het aanbod van de kampioensgordel, uit respect voor de oude worstelaar.

De groep ging verder. Het geluid van stemmen die gezamelijk een gebed of een spreuk aan het opzeggen waren werd harder. Eerst viel het nauwelijks op. Nu klonk het harder en harder.

Een deur met een moeilijk slot werd geopend en water stroomde de kamer binnen.

Het gezang stopte.

De deur gaf toegang tot een natuurlijke druipsteengrot. In het midden had ooit het beeld gestaan van een mooie vrouw met lang haar. Dit beeld lag nu in stukken in de grot en op haar plaats stond het leleijkste beeld dat de reisgenoten ooit hadden gezien.

Drie in zwart gehulde figuren draaiden zich om.

IMG_7372

Een van hen was een soort van priester die de panda in slaap probeerde te krijgen, de andere twee waren zijn hulpjes.

De groep had bogen aangeschaft en deed hun best om daarmee te vechten. Voor Lavinia enigszins frustrerend aangezien al die groten vlak voor haar neus bleven staan. Hmmppff.

Je boog laten vallen helpt ook al niet.

Na een kort maar hevig gevecht, waarbij duidelijk werd dat skeletten ( opgeroepen door de vreemde priester) gek genoeg geen last hebben van gif, konden de leden van de groep de zakken van de drie cultisten doorzoeken. Behalve een boodschappenlijstje (  een krop sla, een pond radijsjes, halfje bruin, gesneden), vonden ze nog een briefje met de aanmaning: “Zorg wel dat je ze levend in handen krijgt.  K.”

En wat losse bijdragen voor de kleine kas, natuurlijk. Het leven is duur, als avonturier.

Op  naar de volgende tombe. Hoorden ze nu iemand om hulp roepen? Nah, zal wel niet.

Dit was de rustplaats van ene Laetitia, ooit priesteres van de Vierde Zuster. Jarenlang gewacht op haar geliefde kapitein en net voor hij thuiskwam overleden. Volgens de gnoom, die ook hier commentaar had achtergelaten, was de kapitein lang niet zo verdrietig als de inscriptie liet geloven. Hij trouwde snel met haar jonge nichtje en kreeg zes kinderen bij haar.

In de tombe stond een groot schilderij van een vrouw van middelbare leeftijd die krampachtig haar best deed om nog jong te lijken. Er naast stond een waterklok. Een gigantisch groot en zwaar ding die het nog deed ook. Het schilderij was draagbaar en werd dus van de muur geschroefd.

De fles met het bootje erin die op haar sarcofaag stond viel ook in de categorie: ‘draagbaar dus buit’ . Over de waterklok werd gedebatteerd. Niet meenemen, was het besluit.

De volgende tombe had een val die op tijd ontdekt werd door de halfling. Maar goed ook. Nadat Lavinia een touwtje had gebonden aan het merkwaardige touwtje dat aan de deurknop zat, en iedereen ruim opzij was gegaan, viel er een steen uit het plafond.

Deze tombe behoorde toe aan de koopman Wasilius en zijn schone gade Fabia. De gnoom merkte in zijn commentaar fijntjes op dat hij geld verdiende met scheepsladingen en zij het uitgaf met vlooteenheden. Tussen beide sarcofagen was een alkoof waar iemand ooit een soort poppenkast had gezet. Er waren drie poppen. Een dikke koopman die met zijn rug naar de andere twee stond, een schone dame in het midden met haar armen om een mooie jonge man in militair uniform. Een luitenant zo te zien.

Zodra onze helden binnenkwamen begonnen de poppen te bewegen. De luitenant stak zijn zwaard in de rug van de koopman, de vrouw stak een mes in de rug van de luitenant, en het gezicht van de vrouw werd langzaam groen.

Merkwaardig.

Aan de kant van de koopman stonden flessen suikerbeswijn en een merkwaardig ander flesje.

En zij lag in vol ornaat, met sieraden en al in haar sarcofaag. De halfling was hier de panda steeds te slim af. Iedere keer als de panda ergens wilde zoeken, waren die snelle handjes van Lavinia er al geweest. Ook de poppenkast was draagbaar.

Het water stroomde hier door een deur met tralies. Roestige tralies. Een fluitje van een cent om die te verbuigen. Voor de panda dan. Dat scheelde toch een stuk omlopen.

Nu kon het hulpgeroep niet langer genegeerd worden.

In de volgende kamer bevonden zich drie ruwe types die drie waternymfen belaagden.

Twee van hen hadden ze gevangen in merkwaardige touwen. De derde probeerde wanhopig het touw van de derde schurk te ontwijken.

Onze helden vielen aan. Hierbij raakten de schurken afgeleid en lieten, onverstandig!, de touwen vieren.  De waternymfen wisten  een van de schurken te betoveren. Hij keek alleen nog maar naar hun mooie, ehh, ogen. Bijzonder mooie en grote, ehhm, ogen, zei ik toch. Ja, ogen. Zacht en rond en verleidelijk.

Terwijl de helden de andere schurken afleidden, scheurden de nymfen hun belager in stukken. Zou je toch niet zeggen dat zulke zachte, lieve wezens zo bloeddorstig kunnen zijn.

Spoedig was er niet veel meer over dan wat vleesresten in het water en bloedspatten op de muur.

IMG_7315

De nymfen vertelden dat hun vader de Fenissei was en dat de touwen van de schurken van nymfen haar waren, anders waren ze niet zo makkelijk gevangen.

Ze konden de necropolis niet meer uit omdat de schurken de waterval hadden geblokkeerd. Maar nu ze weer vrij waren konden ze hun vader roepen en vragen om de rotsen weg te spoelen.

De waterval bevond zich in de laatste kamer, deze was afgesloten met tralies. De nymfen raakten het metaal niet graag aan. Dus haalden de avonturiers de hendel over.

IMG_7373

Dit was de tombe van de familie Capresius. De vader was commandant van het Fort Tuanageta en hield, volgens de gnoom meer van kunst dan van wapens, dus gaf hij het geld van garnizoen uit aan het eerste. Zijn vrouw had een achttal kinderen en een veelvoud daarvan aan sandalen.

Vier van de acht zoons waren vermist of krijgsgevangen. Van de overige vier had slechts een, de jongste, zijn pensioen gehaald. In zijn kist lag een sleutel. De oevrige drie waren gesneuveld in de strijd. Hoewel je daar ook zo je twijfels over kunt hebben. Een van hen had namelijk een miniatuurportretje van de jonge Fabia in zijn kist…

De rivier de Fenissei werd opgeroepen door zijn dochters en wist met een enorme vloedgolf de weg weer vrij te maken. De helden werden beloond met parels en verlieten de necropolis via een lange trap langs de klifwand.

Ze kwamen uit op het strand bij zonsondergang. Iets ten noorden van hen stond een vuurtoren op een landtong en vijf staande stenen. Correctie: drie staande stenen en twee liggende. Verder weg waren de torens te zien van de stad Tuangith.

Tijd voor een barbecue met vis en zeewierkoekjes op het strand.

 Einde van deze episode.

 Einde? Nee! Eerst gingen ze toch nog even terug om de waterklok te halen.( Waarom?)

En daarna struikelde de elf Amaril over een oud verroest zwaard hetgeen een visioen veroorzaakte. Er verscheen een blauwwitte mist in de branding. Hierin waren gestalten te zien met een groen huid. Deze versleepten een kist die duidelijk heel zwaar was. Net toen ze hem in een roeiboot hadden gezet kwamen een paar bekend uitziende soldaten aanrennen. Er volgde een gevecht, maar wat daarvan de uitkomst was, was niet te zien.

Oh, en de vis en zeewierkoekjes bleken gezegend te zijn. Al hun wonden genazen, hun lichamen werden ontdaan van gif en ze voelden zich kiplekker. Alsof ze niet net een hele dag hadden gelopen en gevochten.

Petra Schulein-Coret

Kom een keer spelen

Elke zaterdag van 10 tot 17 uur in Delft, en op woensdag- en donderdagavond. Je bent welkom om te kijken of mee te doen.