[Petra Schulein]
D&D Campagne “Op zoek naar de Krijgskas: (2): Ratten in de Keuken“
( Dag 1: 23 februari 4476)

Enige dagen na het eerste avontuur van de reisgenoten bevonden ze zich ‘ s-ochtends in de gelagkamer van de herberg. ( Althans daar waren de meesten van hen, de halfling observeerde de herberg vanonder de braambosjes). De bedoeling was om die dag hun onderzoek in de Tempel voort te zetten.
De meeste bruiloftsgasten waren inmiddels weer vertrokken, behalve de oude vrouw Margaretha. De ontvoering door de goblins had haar toch erger aangegrepen dan ze eerst had gedacht en bovendien wilde de herbergier niet dat ze onbegeleid naar huis ging. Stel dat ze weer ontvoerd werd, dat schoot niet op! De drie kleine kikkers waren er ook nog en vermaakten zich prima in de visvijver. En de herbergier had werklieden laten komen om het gapende gat in zijn herberg te repareren.
Plotseling kwam de kokkin met grote stappen de keuken uitgelopen. Ze richtte zich tot de herbergier.
“Berend! Berend, dit kan zo niet langer! Niet alleen vissen die kikkers mijn vijver leeg,” ( Zwemt snel mompelde nog iets over dat ze alleen de kleine vissen vingen, de grote kregen ze toch niet op. Dit leverde hem slechts een woedende blik op.).
” Niet alleen vissen die kikkers dus mijn vijver leeg, ” vervolgde ze, ” Maar nu zit er ook iets in mijn voorraadkamer. Ik mis halve kazen, een complete ham en twee zakken graan zijn opengemaakt en leeggehaald. En dat allemaal doordat na die aardbeving dat gat in mijn vloer is gekomen. Daar zit iets beneden, Berend. Daar moet je iets aan doen!”
De herbergier keek zijn kokkin ietwat schaapachtig aan. ” Als er ratten zitten beneden dat moeten we rattevallen zetten en gifkorrels strooien.”
“Rattevallen? Gifkorrels? Dat heb ik gedaan, Berend. Maar de vallen worden onschadelijk gemaakt en de gifkorrels opzij geveegd. Er zit iets beneden en het is iets meer dan ratten!”
Ze draaide zich om naar de reisgenoten en zei, “Waarom vraag je hun niet om te helpen?”
Dat leek de herbergier een goed idee en de priester Guldan was de eerste om zijn hulp aan te bieden. De anderen, waaronder ook Lavinia, die eens kwam kijken waar al dat geschreeuw om ging, stemden in met dit plan.
Ook een nieuwkomer in de herberg, een elven krijger genaamd, Amaril Nailo, bood zijn diensten aan.
Eenmaal in de voorraadkamer onder de herberg lieten de avonturiers eerst een lamp door het gat naar beneden zakken. Daar bleek een knusse, kleine huiskamer te zijn, aan het stof te zien sinds lang niet meer betreden.
De reisgenoten klommen een voor een naar beneden. Het kamertje was van alle gemakken voorzien, tenminste, als je een klein postuur had. Tegen een muur was een boekenkast, tegen een ander een vitrinekast met allerlei prullaria, aan een derde muur hing een groot schilderij van een vuurtoren op een rots in het midden van de zee en in de laatste muur een deur zonder slot. Er liepen talloze rattesporen richting de muur met het schilderij, kleine sporen, middelgrote sporen en grote sporen. Volgens de halfling waren al deze sporen afkomstig van knaagdieren.
De elfvrouw Moreta ontdekte dat er in die muur een geheime doorgang was, waarop de groep besloot om door de muur heen te stappen wat onverwacht makkelijk ging.
Dat wil zeggen: de twee elven, de priester, de monnik en de wizard stapten door het schilderij. Lavinia, die nu eenmaal een stuk kleiner is, liep eronder door.
En dus stapten vijf leden van de groep een achthoekige ruimte binnen, met vier grote ramen die rondom uitzicht gaven op een rustige zee met hier en daar wat eilanden, wat bootjes in de verte en een vliegend ‘iets’ aan de horizon. Er stond een deur wagenwijd open en daardoor heen kwam frisse, zilte zeelucht. Een trap met kleine tree’tjes liep omhoog en omlaag. De ploeg ging uitgebreid onderzoek doen in de toren waar zij zich bevonden. Zo ontdekten ze dat in de buurt van de eilanden ook wat bootjes voeren, waar van er een was die kennelijk in brand stond want er kwam rook van af. Ze kwamen al gauw tot de conclusie dat ze inderdaad hoog boven in een vuurtoren stonden. Was het de vuurtoren van het schilderij? En zo ja, was dit dan allemaal echt, of niet?
De onderste kamer was ingericht als huiskamer, opnieuw bedoeld voor kleine personen. Er lag o.a. een reeks dagboeken, van ene Phineas Abercrombie Lightoller, meester illusionist. De laatste aantekening gaf aan dat deze zich verveelde en van plan was te vertrekken naar het continent om daar eens te kijken wat er zoal te beleven was.
Buiten ontdekten ze nog een kleine moestuin en een steiger waaraan een bootje zou kunnen liggen. Verder was de vuurtoren volledig verlaten maar wel tot in de puntjes onderhouden.
En de hele tijd klonk er een bel.
Lavinia zag helemaal niets van dit alles. Zij bevond zich in een vierkante, ondergrondse ruimte met twee deuren. Het was er donker en het rook er muf en naar rattekeutels. Haar kameraden stonden midden in de kamer en leken haar niet te zien of te horen.
Wat was hier aan de hand?
Eerst maar licht halen dan. Dan weer terug naar de ruimte waar de rest nog steeds stokstijf stil stond. De rattesporen leidden naar het westen dus die kant ging onze dappere halfling dus maar op. Daar was een lange gang, en ik bedoel lang, heel lang. Dus echt lang. Wat je zegt, lang.
Op een gegeven moment vond Lavinia een merkwaardig voorwerp: een kooi met een leren kap die hier ooit gevallen moest zijn. Er zat een naambordje op: Fifi. Onder het mom: alles meenemen wat los zit en losmaken wat vast zit, zodat je dat ook kunt meenemen, pakte de halfling de kooi op.
Een stuk verder ontwaarde ze een doorgang die bij de aardbeving moest zijn ingestort. Alleen kleine wezens konden hier nog doorheen. De halfling verkleinde de opening nog wat zodat datgene wat er doorheen kwam zo klein was dat het haar niet meer in gevaar kon brengen, en liep door. En maar door, door die lange gang. Had ik al gezegd dat het een lange gang was? Bij deze dan.
Ze begon moe te worden, en honger te krijgen, toen ze opnieuw een opening in de muur zag. Ze sloop er zo stilletjes mogelijk langs. Je weet immers nooit wat er daarbinnen kon zitten.
Eindelijk, -Lavinia’s voeten begonnen nu echt zeer te doen-, eindelijk dus kwam ze bij het eind van de tunnel. Daar lagen de trieste overblijfselen van een klein persoon, dat zo te zien al heel lang dood was. De ladder boven hem was op een halve meter van de bovenkant afgebroken of zo ( de elf sorceress zou later constateren dat de rest van de ladder door een vuurspreuk vernietigd was) en hij lag daar in foetus houding met zijn linkerarm rondom zijn middenrif dat eveneens weggebrand was. Zijn rechterhand lag midden op een grote roestbruine vlek op de vloer en zijn rechter ringvinger ontbrak.
Na het lijk van de gnoom, want dat was het ooit, te hebben doorzocht op, ehh..aanwijzingen van zijn identiteit en dat soort zaken, keerde Lavinia op haar schreden terug.
De rest van de groep stond nog steeds in ademloze bewondering van het uitzicht op de vuurtoren. Waren ze de tijd een beetje kwijt? Of verstreek de tijd daar op een andere manier? De panda stilde zijn honger met de jonge worteltjes, de sappige lente uitjes en de knisperverse bloemkool roosjes uit de moestuin. De aardbeien waren nog niet rijp.
Was die vliegende figuur nu dichterbij gekomen? Het zag er bekend uit. Wat is groot, rood, vliegt en spuugt vuur?
Kun je opgegeten worden door een draak in een schilderij? Of wat dit ook was? Beter maar niet uitproberen. Ze besloten toch maar weer terug te keren naar waar ze vandaan kwamen.
Lavinia had andere problemen. Bij die opening die niet geblokkeerd was was ze stilletjes naar binnen geslopen. Ze was daar echter niet alleen. Een fors uit de kluiten gewassen rat snuffelde rond in de grot. Lavinia spande haar boog. Een pijl, een rat minder. Oh, daar was nog zo’ n rat. Maar niet lang, want haar tweede pijl was ook raak. Helaas waarschuwde de geur van bloed zijn maatjes, en hij had er veel. En een van hen waarschuwde op zijn beurt zijn grote broer.
Eh, broers meervoud. Lavinia zette het op een lopen, achtervolgd door een horde ratten en hun drie grote broers. Eenmaal aangekomen bij het touw in de huiskamer klom onze rogue zo snel mogelijk omhoog naar de voorraadkamer. Daar klonk nog steeds het geluid van die irritante bel.
Maar ook de stemmen van de rest van de groep.
“Naar boven, jullie!” riep de halfling, ” En trek het touw op!”
Ietwat in verwarring deden de anderen wat ze hen opdroeg, en geen moment te vroeg. De horde kleinere ratten klom razendsnel tegen de boeken kast omhoog en viel het gezelschap aan.
Er volgde een hevig gevecht. Kennelijk moesten onze helden nog wennen aan hun nieuwe carriere want heel wat klappen raakten uiteindelijk niet wat ze wilden. Dat gold in mindere mate voor de ratten, die immers in de meerderheid waren. Maar hun aantal nam gestaag af.
De bel was gelukkig opgehouden. Tot twee keer toe probeerden de grote ratten die met speren bewapend waren naar boven te klimmen, met weinig succes. De derde rat gebruikte zijn katapult met al even weinig succes.
Toen er meer avonturiers dan kleine ratten waren, maakten deze laatsten dat ze weg kwamen. De groep zette zich al schrap voor het gevecht met de drie grote ratten dat zou volgen. Vermoeid en gewond en in een paar gevallen wat misselijk.
Maar dat bleek niet nodig. Een nieuwe grote, albino, rat kwam binnen en beval de drie grote ratten te stoppen met hun aanval. Ze stelde zich voor als Skita, de moeder rat van het stel. ( Ze was er zelf ook niet trots op, maar ja). Ze legde uit dat het nooit de bedoeling was geweest om de herbergier te beroven van zijn voorraden. De aardbeving had echter een opening geblokkeerd die ze normaal gebruikten om naar buiten te gaan, alwaar ze hun eigen groentetuintjes hadden en op forel visten en op herten joegen. De reisgenoten bedongen dat de ratten een maand lang hertevlees en dergelijke zouden brengen naar de herberg, als vergoeding voor de opgevroten voorraden. En dan zouden zij alles doen om de opening weer vrij te maken.
Skita gaf hen ook nog een steen met vijf ronde noppen erop die een van haar voormoeders ooit gekregen had met de opdracht die op een gegeven moment door te geven. Ze wist zelf niet waar die steen voor was, behalve dan dat het een ‘sleutelsteen’ was en dat goblins al verschillende keren hadden geprobeerd hem in handen te krijgen.
Het lukte hen, ook zonder de panda die niet door de deur naar de gang bleek te passen, om de opening vrij te maken.
Ze onderzochten nog de ladder aan het einde van de lange gang. Daar lag echter een boom op het luik boven de ladder. Dus moesten ze buitenom om te kijken waar die gang nou eigenlijk naartoe liep. Bij het licht van de ondergaande zon zagen ze door de bomen heen de Oude Tempel liggen.
Die moesten ze dan maar morgen bezoeken.
Terug in de herberg maakte Moreta een soepje van de paddestoelen die Skita haar had aanbevolen om de ziekteverschijnselen van de panda en de elven krijger te niet te doen. Margaretha bood de avonturiers haar laatste twee flesjes met geneeskrachtige drankjes aan, als dank voor het oplossen van het rattenprobleem. Om meer drankjes te kunnen maken moest ze alchemistische apparatuur hebben zoals ze thuis had.
Daarna ging iedereen slapen. De halfling dit keer in een van de kleine kamertjes die ze vlak na het avondeten had ontdekt, samen met Guldan en Saruman, onder de herberg. De sleutel die ze had gevonden paste prima op een van de deuren. Daar stond een rugzak, die ze zich maar toe eigende. Inclusief inhoud, uiteraard.
Diep in de nacht ging de halfling nog een keer op pad In een andere kamer onder de herberg bevond zich een grote hoeveel heid ehh.., dingeses. Glazen dingeses, heel veel glazen dingeses, goedbeschouwd, uhmm. Het was niet iets waar de halfling nu echt verstand van had. Er lag ook een halfvergaan boekje op een tafel die net even wat kleiner was.
Het was een dagboek van ene Phineas Abercrombie Lightoller. Deze gnoom was ooit gestrand hier in de herberg vanwege een burgeroorlog waardoor hij niet verder kon reizen. Hij verveelde zich en bezocht dus de plaatselijke Tempel waar hij ontdekte dat hij op een kruising van energielijnen lag en dat de nieuwe priester, ene di Talmeda, niet was wie hij zei dat hij was. De gnoom vond ook een geheim laboratorium onder de herberg met een boek vol gevaarlijke experimenten.
Met een daarvan blies de gnoom nog bijna de herberg op. Uiteindelijk lukte het Phineas, ondanks kwaadwillende baronnen en gouverneurs, een half ork smokkelaar te vinden die hem naar huis wilde brengen. Op het eind van het dagboek noteerde hij dat hij alleen nog Fifi, zijn trouwe rat familiar in haar kooitje moest doen, voor hij kon vertrekken. Maar waar was Fifi?
Moreta de elf sorceress ging in conclaaf met Guldan over het raadsel van de armband die ze van haar oudtante Ysobel had geerfd. Tesamen wisten ze de armband te activeren. Het resultaat: een miniatuur fairy dragon die later nog erg nuttig zou blijken te zijn.
Dag 2 (24 februari 4476)

De volgende dag trokken de helden dan nu echt naar de Tempel. De zware houten deur stond op een kiertje, maar met behulp van panda kracht kregen ze hem redelijk makkelijk open. Binnen was het nogal schemerig; de ramen waren immers niet meer dan spleetjes, schietgaten eigenlijk.
Afgezien van wat recente goblin lijken bleek de Tempel al een tijd geleden grondig geplunderd te zijn. Er waren twee zijkamers. In de een bevond zich een trap naar beneden, in de ander lag slechts een schimmelig tapijt. De groep ging naar beneden. Daar troffen ze een L vormige kamer aan die ook grondig geplunderd was. Ze kwamen binnen aan het lange eind van de kamer. Alle kasten waren open en alle lades eruit getrokken. De kamer lag kortom vol met onbruikbare zooi. Er lag op een bureautje nog slechts een een weegschaaltje, een vijzel en stamper en een leren buideltje waar zout in zat. Boven het bureau had ooit nog een stuk papier gehangen maar daar was weinig meer van over. Behalve de aantekening over ” zout, zilver en stromend water”, was er ooit een berekening uitgevoerd. Maar van wat precies, was niet meer na te gaan.
Voor de deur aan de korte kant van de L, hing een enorme spin in een gigantisch web. Hier schrokken de leden van de groep kennelijk zo erg van dat de boogschutters onder hen plotseling niet meer in staat waren een schuur deur op twee meter te raken ( of in dit geval een spin van een halve meter doorsnee op een meter afstand). Niet dat dat heel erg was want de halfling kwam er achter dat het hier om een illusie ging.
In de volgende gang was het een stuk kouder. En in de volgende ook weer. De enige die nergens last van had was de panda. De reisgenoten betraden vervolgens een ruimte met een heleboel deuren. Hun adem kwam inmiddels in wolkjes uit hun mond.
Ineens klapte de deur achter hen open, het geluid van fluitmuziek klonk vanuit een blauwe mist. Een intrieste melodie. Daar verschenen de gedaanten van de spookcommandant en een jonge priesteres. Achter hen soldaten die een gesneuvelde kameraad droegen en zijn kameraden. De droeve stoet negeerde de avonturiers compleet. Dan keek de commandant op, hij leek iets te zien wat hem zeer verontrustte. Hij ramde zijn helm op zijn hoofd, trok zijn zwaard en leidde zijn spookachtige manschappen in een charge, de kamer uit.
In de kamer waar de avonturiers zich bevonden gingen daarop plots alle kamers open en uit elke kamer, behalve een, kwam een skelet. Ze bewogen zich nogal traag, wat geen wonder was gezien het feit dat ze stijf bevroren waren. Er volgde een gevecht. Hierbij kwam aan het licht dat het draakje van Moreta een grote hekel aan ondoden had en dat liet hij blijken door ze te beademen met puur licht. Dit kwam de skeletten niet ten goede. Ook de rest van de groep liet zich niet onbetuigd.
Het kostte wat moeite en het was slecht manouevreren in deze kleine ruimte maar de skeletten dolven het onderspit.
In de ene kamer waar geen skelet uitgekomen was lag wel degelijk een lijk. Hij droeg een merkwaardig medaillon dat de wizard Saruman haastig inpikte.
En dan ging het verder, dieper en dieper, kouder en kouder. De kou moet de vingers van de rogue wat onhandig hebben gemaakt want zij wist een val wel en een andere niet onschadelijk te maken. Pijlen vlogen in het rond en raakte een paar van haar kameraden.
Er lag nog een vergeten document in een kamer met een stuk of tien grafkisten. Dit was het verslag van ene Marcus Ennaius Zoilus, die hier in de Tempel ooit samen met zijn mannen een toevlucht had gezocht. Ze werden belegerd door een grote groep orken en goblins. In de brief vertelde hij over een plan om te ontsnappen, bedacht door ene Gnaeus Ahenobarbus.
Dit alles was waarschijnlijk heel lang geleden gebeurd. Wie was deze Zoilus? Hadden zijn mannen iets te maken met de verloren krijgsschat? Hoe moet je daar ooit achter komen.
Na min of meer naar beneden gegleden, dan wel gevallen te zijn kwamen de reisgenoten onder aan een lange glooiende gang bij een kleine bibliotheek. Daar waar in de rest van de tunnels de ijsbloemen op de muren stonden was het hier zowaar warm. Althans gedeeltelijk. In een hoek bevond zich een rood kristal dat warmte afgaf. Eenmaal losgepeuterd bleek het kristal een aangename warmte te verspreiden. In een andere hoek lagen trouwens nog meer kristallen. Acht stuks om precies te zijn, allemaal gebarsten en wit. Voorbij de bibliotheek was een soort opslagplaats. Er lagen botten en schedels, keurig gesorteerd op grootte en soort in vier kleine kamers. Er lag ook een enorme hoeveelheid kleding en schoenen, waarvan het merendeel niet meer bruikbaar was omdat het zo oud en vergaan was. Wat opviel aan de schedels was dat er overal twee extra gaten in zaten. Een aan elke kant. En tot slot hing er nog een poster met een soort van bouwinstructie voor beenderspinnen.
Verder de tunnels in. En ja, het werd nog steeds kouder. De avonturiers betraden een lange galerij die in een spiraalvorm om een grote zaal was aangelegd. De spiraal liep geleidelijk aan naar beneden. Door de openingen tussen stalagmieten en stalagtieten konden ze zien dat beneden een grote blauwwitte ring op de vloer stond, aan een kant onderbroken. De kou leek hier vandaan te komen. Om de cirkel heen stonden allerlei skeletten, goblins en spinnen.
Veel meer dan de groep aankon. De moed zonk hen in de schoenen. Gelukkig stonden ze allemaal stokstijf stil. Bevroren?
Het werd al laat en de helden besloten een andere deur te onderzoeken op een plek in de spiraal die wat warmer was. Erachter bleek een steile gang naar boven met een luik aan het eind.
Nadat de Lavinia een gat in het luik had gemaakt met haar mes, een uitzonderlijk scherp mes dat ze haar hele leven al bezit, liep een hoeveelheid aarde de gang in. Voldoende om het luik open te kunnen maken. Boven stonden ze op het kerkhof, naast de grafsteen van ene Lorenzo di Talmeda, priester van de Grote Godin, overleden ruim duizend jaar eerder.
De zon zonk richting de einder en de reisgenoten togen naar de herberg.
Toch vreemd dat ze de ruimte met de sarcofaag niet waren tegen gekomen. Hmmm…
Wordt vervolgd.
Deel 1 is hier te vinden.